Wat is de betekenis van Hoonen?

2024-06-17
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Hoonen

HOONEN, (hoonde, heeft gehoond), smaden, met verachting bespotten: iem. hoonen; hij hoonde de nagedachtenis mijns vaders; God hoonen, godslasteringen spreken.

2024-06-17
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Hoonen

zie Beleedigen.

2024-06-17
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

hoonen

1. Fraudare, defraudare, fallere, decipere, illudere: & Dedecorare, vituperare, inhonorare, dehonestare. gal. honnir. 2. vet. j. gunnen . Fauere, suffragari.