Wat is de betekenis van hoogte?

2019
2022-05-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hoogte

hoogte - Zelfstandignaamwoord 1. een verheffing van de aardkorst 2. de mate waarin iets hoog is, niveau, peil, stand Denver ligt op een hoogte van 1600 meter. 3. door de frequentie bepaalde klank, toonhoogte Woordherkomst Afgeleid van hoog met het achtervoegsel -te. Uitdrukking...

Lees verder
2018
2022-05-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hoogte

hoogte - zelfstandig naamwoord uitspraak: hoog-te 1. afstand van onderste tot bovenste punt ♢ de hoogte van dit huis is zeven meter 1. uit de hoogte doen [op anderen neerkijken] ...

Lees verder
2017
2022-05-18
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

hoogte

Hoogte is een van de drie dimensies die, naast lengte en breedte, wordt gebruikt om de beschikbare ruimte te beschrijven.

2008
2022-05-18
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

hoogte

(de; -s) SP - afstand van onder- tot boveneind, bv. de hoogte van de lat, horde, ringen.

1998
2022-05-18
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Hoogte

de - hebben/krijgen al te veel gedronken hebben. Een zeemansuitdr. uit de 17de eeuw. Eigenlijk ‘zo ver zijn als men zijn moet’. Dezelfde uitdr. heeft ook nog een andere, specifiek lesbische, bet.: ‘opgewonden, wellustig zijn’.

Lees verder
1990
2022-05-18
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

hoogte

hoogte - De maat genomen van de onderkant naar de bovenkant van een voorwerp of bouwwerk.

1981
2022-05-18
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Hoogte

1. sterrenkundig: de hoogte van een ster wordt aangegeven door de hoek tussen de richting van de ster en het horizontale vlak; 2. bij een driehoek de lengte van de loodlijn van een hoekpunt op de tegenoverliggende zijde; bij een trapezium en een parallellogram de loodrechte afstand tussen twee evenwijdige zijden, bij een cil...

Lees verder
1973
2022-05-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

hoogte

v. (-n, -s), 1. afmeting in verticale richting: de van een kist; de staat tot de breedte als 3 tot 2; boeken van gelijke —; 2. afstand van ondertot boveneind op top: de van dit gebergte overschrijdt nergens de 3000 m; op de halve van de toren; afstand van vloer tot zoldering: de van een vertrek; de lengte van de loodlijn uit het hoogste punt...

Lees verder
1952
2022-05-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Hoogte

s., hichte, huchte; (in landschap) heech (it); zandige(in land), sankop; goed op dezijn, goed by de tiid wêze; in desteken, opfizelje; uit de —, ôfhâldend, ôfhâldich.

1950
2022-05-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Hoogte

v. (-n), 1. afmeting in verticale richting: de hoogte van een kist; de hoogte staat tot de breedte als 3 tot 2 ; boeken van gelijke hoogte ; 2. afstand van ondertot boveneind of top : de hoogte van dit gebergte overschrijdt nergens de 3000 m ; ter halver hoogte van de toren; — afstand van vloer tot zolderin...

Lees verder
1949
2022-05-18
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Hoogte

(sterrenk.), de op de.(hoogte)cirkel zenithster-nadir gemeten boog tussen aardse horizon en ster. Bij de hoogte behoort het azimuth*, z ook declinatie en uurhoek, benevens rechte klimming.

1942
2022-05-18
Vreemde woorden in de Sterrenkunde

Prof. Dr. P.H. van Laer

Hoogte

Astr. boogafstand van ster tot horizon. Vert. v. Gr. exarma = poolshoogte; lett. verheffing; < exairein = omhoog heffen.

Lees verder
1937
2022-05-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

hoogte

v. -n; 1. afstand van de voet tot de top; verhevenheid: de hoogte v. e. toren; een hoogte van 1200 m; 2. heuvel; bosrijke hoogten; nog: de hoogte v. e. driehoek, afstand van de top tot de basis; zegsw. hij is nog niet op de hoogte (van iets), niet voldoende ingelicht; uit de hoogte tot iem. spreken, trots; de hoogte hebben, krijgen, dronken zijn,...

Lees verder
1933
2022-05-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Hoogte

1) i/d sterrenk.: het deel v/d verticaalcirkel tusschen het hemellichaam e/d horizon, of de met dat gedeelte v/d verticaalcirkel overeenstemmende hoek; 2) i/d geometrie: de verticale afstand v/e bepaald punt t/e horizontaal gelegen vlak te onderscheiden in absolute of volstrekte h. en relatieve of betrekkelijke h.; de eerste is de verticale afstand...

Lees verder
1916
2022-05-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Hoogte

Hoogte - (meetkunde), 1) van een driehoek: lengte der loodlijn uit den top op de basis neergelaten; 2) van een rechthoek: lengte der zijde loodrecht op de basis; 3) van een trapezium: afstand der evenwijdige zijden; 4) van een viervlak: lengte der loodlijn uit den top op ’t grondvlak neergelaten; 5) van een pyramide: idem; 6) van een kegel: idem; 7...

Lees verder
1898
2022-05-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hoogte

HOOGTE, v. de afstand van een punt boven de oppervlakte van de aarde tot aan die oppervlakte: de hoogte van een huis; deze bergen zijn van geringere hoogte dan de zooeven genoemde; ter halver hoogte van den toren; — (meetk.) de loodlijn uit het hoogste punt van eene vlakke figuur (of een lichaam) neergelaten op de grondlijn (of het grondvlak)...

Lees verder
1898
2022-05-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Hoogte

zie Berg.

1870
2022-05-18
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Hoogte

Hoogte noemt men den afstand van eenig punt boven het horizontaal vlak des waarnemers tot aan dit vlak. De hoogte van een berg kan die van den top tot den voet of ook van den top tot de oppervlakte der zee wezen; de eerste hoogte noemt men de betrekkelijke, de tweede de volstrekte. In de zeevaartkunde bezigt men het woord hoogte van de poolshoogte....

Lees verder