2019-11-22

hoog

hoog - bijvoeglijk naamwoord 1. behoorlijk ver van de grond ♢ de doelman maakte een hoge sprong 1. de ruzie liep hoog op [was erg heftig] 2. dat zit haar erg hoog [dat houdt haar erg bezig] 3. hij zit hoog en droog thuis [v...

2019-11-22

Hoog

1. een hoge rug hebben, soldatentaal (Indonesië) voor ‘een erectie hebben’. 2. hoge mieter,hooggeplaatst persoon. Oorspr. soldatenslang, gebruikt bij de artillerie, periode 1860 - 1885. Mieteris een hoofddeksel (van Latijn mi tra‘muts, hoofddeksel’). Het heeft hier dus een andere bet. dan in de talrijke verhingen en uitdr. waarin mietereen verkorting is van sodemieter(zie bijv. als de mieter; op zijn mietergeven/krijgen;in geen (ene) mieterbet. het woord ‘kaasworm’). ... die hoge m...

2019-11-22

Hoog

Hoog - 'hoog rijden': boven in de wielerbaan rijden. 'Te hoog zitten': met een te grote versnelling fietsen. Vgl. Fr. mettre tout à droite. Ertegenover staat: te laag fietsen. Hoog is ook de uitroep van een renner naar zijn voorganger wanneer hij aan de binnenkant van de bocht ruimte wil krijgen.

2019-11-22

hoog

1. Van een kaart: de hoogst overgeblevene in een kleur. Zie ook: vrije kaart 2. Van een hand op een bepaald moment in het afspel: uitsluitend hoge kaarten bevattend. 3. Een hoog contract: contract met weinig kans van slagen. 4. Verzoek aan de dummy om diens hoogste kaart in de gevraagde kleur bij te spelen.

2019-11-22

Hoog

Zie: hogedrukgebied

2019-11-22

hoog

(het; g.mv.) so spreektaal - hoogspringen; af en toe vertoonde hij zijn kunsten bij hoog en polshoog.

2019-11-22

hoog

Uitroep van een renner naar zijn voorganger wanneer hij aan de binnenkant van de bocht ruimte wil krijgen.

2019-11-22

hoog

hoog - Bijvoeglijk naamwoord 1. fysiek ver boven iets anders 2. vergevorderd in een rangorde of volgorde 3. (geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid 4. met een groot aanzien 5. (aardrijkskunde) meer boven de zeespiegel gelegen de Hoge Ardennen 6. (aardrijkskunde) meer naar het Noorden gelegen het Hoge Noorden Synoniemen (3) schel (4) aanzienlijk, voornaam verheven Antoni...

2019-11-22

Hoog

HOOG, bn. bw. (-er, -st). ver opwaarts reikende, verheven (het tegenovergestelde van laag): een hooge berg; hooge boomen; een hooge toren; een huis met hooge vertrekken; een hoog gevaarte; een stapel van drie voet hoog; — eene slagorde van vijf man hoog, van vijf gelederen; geweer hoog!, zeker militair commando; — hoog wappert de driekleur, van eene hooge plaats; de hooge hemel; uit den hooge, van den hemel; — eene hooge zee, die door den wind is opgezweept; — het water staat hoog, het i...

2019-11-22

Hoog

Hoog - (Johannes Leonardus de), Nederl. dramaticus, geb. 1797 te Werth in Westfalen, uit Nederl. ouders, en overl. 1847 als commies bij ’s Rijks marinewerf te Amsterdam. Men heeft van hem historische treurspelen, blijspelen, luimige politieke dichtstukken, enz.; vermeld worden hier: De zonen van Johan van Oldebarneveldt (treurspel, 1827), Hannibal (historisch drama), Het huwelijk door de courant (blijspel, 1841).

2019-11-22

Hoog

Hoog - zie Haag.