Wat is de betekenis van Hoofdig?

2024-05-30
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-05-30
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Hoofdig

adj., koppich, hollich.

2024-05-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Hoofdig

bn. bw. (-er, -st), 1. eigenzinnig, koppig: wees niet zo hoofdig; 2. naar het hoofd stijgende, koppig : hoofdige wijn ; hoofdig bier.

2024-05-30
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

hoofdig

bn., bw.; eigenzinnig,stijfhoofdig: de hoofdige boer, gedicht van Staring; hoofdig volhouden.

2024-05-30
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

hoofdig

('ho:vdәch) bn. en bw. (-er, -st) 1. sterk eigenzinnig: een -e boer; volhouden. Syn.→: eigenzinnig. 2. naar het hoofd stijgend: -e wijn.

2024-05-30
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Hoofdig

HOOFDIG, bn. bw. (-er, -st), eigenzinnig, stijfhoofdig, koppig: wees niet zoo hoofdig; — naar het hoofd stijgende, koppig: hoofdige wijn; hoofdig bier. HOOFDIGHEID, v.

2024-05-30
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Hoofdig

zie Eigenzinnig.

2024-05-30
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Hoofdig

Hoofdig, bn. en bijw. (-er, -st), eigenzinnig, koppig; (ook) naar het hoofd stijgende, -e wijn, - bier. *-HEID, v. gmv. eigenzinnigheid, koppigheid.