Wat is de betekenis van homo?

2020
2021-12-06
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

homo

Het begrip homo heeft 2 verschillende betekenissen: 1) homoseksueel persoon. persoon met een homoseksuele geaardheid; homoseksueel persoon. Meestal gezegd van mannen; soms ook van mannen en vrouwen. 2) homoseksueel. zich aangetrokken voelend tot iemand van hetzelfde geslacht; vallend op iemand van hetzelfde geslacht; in seksue...

Lees verder
2020
2021-12-06
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

homo

1) (1971) (scheldw.) homoseksueel, vooral wanneer het woord wordt voorafgegaan door ‘vuile’ of ‘vieze’. Homofiel werd in 1954 geïntroduceerd door het COC (de belangenvereniging van Nederlandse homofielen) om het kwalijke woord ‘seks’ te vermijden. In de voetbalsport wordt een speler die te dicht in de rug de...

Lees verder
2019
2021-12-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

homo

homo - Zelfstandignaamwoord 1. mens 2. homoseksueel geaard persoon De homo kon gelukkig open over zijn geaardheid praten. Woordherkomst afgeleid van het Griekse: 'homo-' (zelf, eigen) Synoniemen [2] homoseksueel Verwante begrippen lesbienne, lesbisch

Lees verder
1994
2021-12-06
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Homo

1 [Lat., verwant met humus = aarde] man, mens; - homini lupus, de ene mens is een wolf voor de andere; - economicus, de economische mens (van moderne tijd tegenover vroeger); - faber, de technische mens (als voorgaande); - ludens, de spelende mens; - mensura, de mens als maatstaf aller dingen; - N...

Lees verder
1993
2021-12-06
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Homo

mens; verkorting van homoseksueel

1991
2021-12-06
Lesbotaal Lexicon (1991)

Lesbiaans : lexicon van de lesbotaal (1991). Geschreven door Kunst, Hanneke, en Xandra Schutte.

Homo

Homo - verkorting van homoseksueel, heeft ook betrekking op dames. Je moet wat toleranter worden, kind. Je kunt toch niet van iedereen verlangen dat ze zo denkt als jij. Ik vind het veel bevrijdender te denken in termen van mensen, niet van die is hetero en die is homo. Dat is een eng-sexuele gedachte, daar moeten we juist vanaf. (Dorcas, 1990). Ho...

Lees verder
1974
2021-12-06
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

Homo

geslacht van primaten, met recente mens (Homo sapiens) en fossiele soorten, o.a. Homo erectus en Homo neanderthalensis. De eerste vooral in Midden-Pleistoceen (ca. 500.000 jaar geleden), ➝ Javamens, ➝ Pekingmens (beide subspecies van Homo erectus). Homo sapiens is de meest ontwikkelde soort, met Homo sapiens neanderthalensis (➝ Neanderthaler) en H...

Lees verder
1972
2021-12-06
OHS1

Oosthoek Encyclopedie supplement

Homo

[afk. van: highest occupied molecular orbital], in de theoretische chemie gehanteerd begrip ter aanduiding van het energetisch hoogste niveau van de bezette molecuulbanen. Absorbeert een molecule, zoals het butadieen, licht, dan worden de elektronen in de HOMO geëxiteerd en zullen ze de eerstvolgende molecuulbaan gaan bezetten. Die baan noemt...

Lees verder
1954
2021-12-06
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Homo

één der geslachten van de mensen-familie (hominidae), waartoe ook de hedendaagse mensenrassen behoren.

1950
2021-12-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Homo

(Lat.), m., mens; — homo sajnens, wetensch. naam van de mens; — homo novus, een nieuwe figuur ; (ook) parvenu ; — homo sum, ik ben een mens (en niets menselijks is mij vreemd); — homo homini lupus, de mens belaagt zijn medemens als een wolf.

1948
2021-12-06
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

homo

(Lat.) m. mens.

1937
2021-12-06
Scholastiek Lexicon

Latijns-Nederlandsch

HOMO

Mensch. Proprium hominis est, esse animal rationale, s. THOMAS, SUM. c. GENT. in, 39, Wat den mensch eigen is komt hierop neer, een redelijk dier te zijn. — Homo ... est quod vere est animal, s. THOMAS, SUM. C. GEKT. 1, 26, De mensch is dat wat waarlijk het dierszijn behelst. — Homini, in eo quod est homo, convenit rati...

Lees verder
1916
2021-12-06
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Homo

Homo - (Gr.), voorvoegsel met de beteekenis van gelijk, hetzelfde ; zoo is bijv. homobranchisch: gelijkkieuwig; homocentrisch; met hetzelfde middelpunt, gelijkmiddelpuntig; homogeen : van hetzelfde geslacht, gelijk van aard, enz.