Wat is de betekenis van hof?

2020
2022-01-24
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

hof

1) (1971) (zeem.) afkorting van hofmeester, degene die belast is met de zorg voor de maaltijden en het logies; steward. • De oudste officier klakt met de tong. 'Hij is voor de bakker, hof!' (K. Norel: Bij de marine. 1971) • Hof. Hofmeester, bedienend personeel in cafe-taria, gouden bal of longroom. Term wordt zeker in de longro...

Lees verder
2019
2022-01-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hof

hof - Zelfstandignaamwoord 1. (n): de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie 2. (n): (juridisch) een instelling waar recht gesproken wordt 3. (m): een stuk bebouwd land of tuin Woordherkomst > Germaans *hof- > Proto-Indo-Europees *keup-, gevormd uit *keu- «bocht...

Lees verder
2018
2022-01-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hof

hof - zelfstandig naamwoord 1. paleis en huishouding van de koning(in) ♢ aan het hof wordt hier niet over gesproken 1. de hof van Eden [het paradijs] 2. aangelegde tuin...

Lees verder
2017
2022-01-24
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Hof

Hof - persoon belast met de zorg voor de maaltijden en het logies; de steward. Afk. van hofmeester.

2015
2022-01-24
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

hof

tuin Ze was woedend. Ze toonde mij een besmeurde schoen. 'Wie heeft er hier godverdomme in onzen hof gescheten?' Ze begon nu haast te huilen. (Eriek Verpale, Gitta) Geen Algmeen Nederlands

Lees verder
1985
2022-01-24
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

HOF

dorp in de Noordbrabantse gemeente Bergeyk, 7806 inwoners (1985).

1982
2022-01-24
Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

HOF

Dit woord heeft een bijzondere ontwikkeling doorgemaakt, waardoor het verschillende betekenissen heeft gekregen, waarvan de meeste thans nog in gebruik zijn: 1. omheinde ruimte, in het bijzonder open erf, meer speciaal 2. boerderij (bijvorm hoeve), waaruit in de middeleeuwen ontstond 3. centrale hoeve van de landeigenaar, die van daaruit zijn gedee...

Lees verder
1981
2022-01-24
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Hof

Officieel bestaat een „Hof” niet in Nederland. Men bedoelt ermee het Huis van H.M. de Koningin. De koningin richt haar Huis naar eigen goeddunken in, betekent dus: richt haar hofhouding in zonder inmenging van de regering, van de ministers. De hofdignitarissen worden door haar benoemd enAfb. 22 Middeleeuwse ruïne uit Oud-Castili&eu...

Lees verder
1977
2022-01-24
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

hof

hof - vrouwelijk schaamdeel (vgl. tuin). In de verb. de hof omspitten, coïre. Eerje hebt... vernomen, Datje hofje wiert beplant, St. Nicolaes Milde Gaven [1640].Indien hy geweten had, dat 'er nog vier nevens hem waren, die myn hof by gelegentheid eens om kwamen spitten, De Openhertige Juffrouw' 1, 97 [± 1769].

Lees verder
1973
2022-01-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

hof

(hoven), I. m., 1. omheind stuk grond beplant met bloemen, kruiden of bomen, tuin: de bloemen in de —; hij heeft in zijn eigen — genoeg te wieden, heeft met zijn eigen zaken genoeg te doen; de — van Eden, het paradijs, (overdr.) lustoord; 2. kring om zon of maan: een — om de maan, dat kan nog gaan, maar een — om de z...

Lees verder
1952
2022-01-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Hof

s.; (tuin), hôf (it).

1950
2022-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Hof

(hoven), I. m., 1. (Zuidn.; in N.-Nederl. gew., dicht, of deftig), omheind stuk grond beplant met bloemen, kruiden of bomen, tuin: de bloemen in de hof; patiëntie is een goed kruid, maar het wast niet in alle hoven, niet iedereen bezit geduld; — hij heeft in zijn eigen hof genoeg te wieden, heeft met zijn eigen zake...

Lees verder
1937
2022-01-24
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

hof

I. m. hoven; omheinde ruimte, tuin, (Z.-N.), lit. t. of vero.: bloemen in veld en hof; huis en hof verkopen; II. o. hoven, (bet. 4) gmv.; 1. afgesloten of begrensde ruimte met woningen van oude vrouwen: een begijnhof; zie ook hofje; 2. woning van een vorst, vorstelijk verblijf; paleis; bij overdr. hofhouding: aan het hof verblijven, de dames en he...

Lees verder
1937
2022-01-24
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Hof

Omstreeks 700—1100 was langzamerhand het grondbezit in handen der kerken en der edelen gekomen, behalve in het Oosten van ons land, waar weinig persoonlijk bezit, maar meergemeene marken met vrije markgenooten waren. De kern van het bezit van den heer, van de kerk of van de abdij was het hof, de havezate. Er waren dus heerenhoven en geestelij...

Lees verder
1933
2022-01-24
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Hof

stad in Beieren, 42 000 inw., marmergroeven, textielnijverheid.

1916
2022-01-24
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Hof

Hof - 1) zie GERECHTSHOF. 2) stad in het N. van het Beiersche regeeringsdistrict Oberfranken, aan de Saale, dicht bij de Saksische grens, 24 K.M. ten Z.O. van Plauen; 42.000 inw. Middelpunt van de Noord-Beiersche wol- en katoennijverheid.

Lees verder
1898
2022-01-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hof

HOF, m. (hoven). (Zuidn.; in Noordn. gew., dicht, of deftig); (gew.) houten heining om eene weide; — (gew.) kring om zon of maan: een hof om de maan, dat kan nog gaan; maar een hof om de zon, daar schreien vrouwen en kinderen om; — (gew.) bruine kring rondom den tepel eener vrouwenborst; — omheinde ruimte, tuin: de bloemen in de...

Lees verder
1870
2022-01-24
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Hof

Hof (curtis, curia, aula) noemde men in de middeneeuwen het binnenplein van een kasteel, waar het gevolg van den heer vergaderde, zoodat allengs aan de personen van dat gevolg den naam van het Hof gegeven werd. Tevens werden sommigen der leden van zulk eene hofhouding met bepaalde ambten en bedieningen belast, en zoo kwamen er hofmaarschalken, kame...

Lees verder
1869
2022-01-24
Geographisch

Geographisch-woordenboek

Hof

1) Hof aan de Saaie, ook wel Regnilzhof, stad in den beierschen kreis Oberfranken, aan de riv. de Saaie, voornaam grensstation van den saksisch-beierschen spoorweg; 12,000 inw.; gesticht in de He eeuw; overwinning 1759 van prins Hendrik van Pruisen op de Oostenrijkers, en 6 Febr. 1807 van Murat op de Russen. 2) Stadt-am-Hof, het oude Riparia, stad...

Lees verder