Wat is de betekenis van hip?

2020
2021-05-14
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

hip

1) (1845) (ook wel: hippie) (Barg.) hoer; hoerenklant. Gedacht moet worden aan een op- en neergaande, 'hippende' beweging. Vgl. hengst*. Van oorsprong Amsterdams? • Hip: avontuurtje; ook snol. Dat niese loopt op een hip. Ze kan hippies bij de vleet krijgen. (Köster Henke: De Boeventaal. 1906) • Karel lachte mee, wou voora...

Lees verder
2019
2021-05-14
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hip

hip - Bijvoeglijk naamwoord 1. modieus hip - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hippen ♢ Ik hip 2. gebiedende wijs van hippen hip! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hippen ...

Lees verder
2018
2021-05-14
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hip

hip - bijvoeglijk naamwoord 1. opvallend of modern (jaren 70) ♢ wat heb je een hip jasje aan! Bijvoeglijk naamwoord: hip ... is hipper dan ... het hipst de/het hippe ......

Lees verder
2017
2021-05-14
Prostituees en pooiers

Jargon & Slang van Prostituees en pooiers

Hip

Hip - bezoeker van een bordeel, klant van een hoer. Vgl. hengst. Ook als hippen = drentelen rond bordelen. Hip wordt ook gebruikt om een prostituée mee aan te duiden. Wellicht moet hier gedacht worden aan de op- en neergaande, hippende beweging. Dat zijn de gewiekste en chroniese hippen en die kon die ouwe temeie niet met een klein rukkie aan de l...

Lees verder
2014
2021-05-14
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

hip

(< hippen, huppelend voortgaan), 1. hoer, prostituee: Boeventaal; 2. klant van een prostituee: Als ik de hoer ga spelen, dan ben ik niet zo gek dat ik op straat twee hippies neem en dat ik het dan daarbij laat; je moet er wat aan overhouden, in GROOTHUYSE 173; 3. lieveling, schatje: Hij (Rous) ... mag mij persoonlijk ook wel, geloof ik ... In ie...

Lees verder
2004
2021-05-14
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

hip

(1) In de zin van prostituee vermoedelijk sedert het begin van de twintigste eeuw. Koster Henke (1906) vermeldt het woord niet alleen in de zin van ‘avontuurtje’ maar vermeldt daarnaast: ‘snol. Dat niese loopt op een hip. Ze kan hippies bij de vleet krijgen’, maar de voorbeeldzin verwijst eerder naar een (later ontwikkelde) tweede betekenis: (2) Kl...

Lees verder
1994
2021-05-14
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Hip

[Am. slang] eig.: behorend tot de hippies (zie hippie) of kenmerkend voor hen; ook volgens meestal uitzonderlijke nieuwe mode (bijv. [i]hippe kleding). [/i]

Lees verder
1993
2021-05-14
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Hip

modern

1977
2021-05-14
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

hip

hip - 1°. Bezoeker van een hoerenhuis. 2°. Prostituee, snol. Wrsch. moet voor beide bet. worden uitgegaan van een bet.: ‘op en neer gaande, hippende beweging’. Om de twee of drie avonden, eene hip op me huis, waarlijk Mortje, het ziet er hesjouge uit (in een hoerhuis dat geen nering heeft). Manuscript van een Zeeman [± 1...

Lees verder
1973
2021-05-14
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

hip

I. v., prostituée; II., m., klant van een prostituée.

1955
2021-05-14
vreemd

Vreemde woordenboek

Hip

(Barg.) snol; hippie: licht meisje, scharreltje

1950
2021-05-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Hip

I. m., hippende beweging; II. v., (volkst.) snol.

Lees verder
1949
2021-05-14
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

hip

avontuurtje, ook: snol. Dat niese loopt op een hip. Ze kan hippies hij de vleet krijgen.

Lees verder