Wat is de betekenis van hinder?

Synoniemen van hinder

2019
2020-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hinder

hinder - Zelfstandignaamwoord 1. last, ongemak: Wegenwerken veroorzaken meestal hinder voor de omwonenden. hinder - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hinderen ♢ Ik hinder 2. gebiedende wijs van hinderen hinder!...

Lees verder
2018
2020-11-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hinder

hinder - zelfstandig naamwoord uitspraak: hin-der 1. wat je stoort of belemmert ♢ we hebben niet veel hinder van die bouwplaats Zelfstandig naamwoord: hin-der de hinder Synoniemen last, ongemak Teg...

Lees verder
2017
2020-11-29
Bodemrichtlijn

Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit

Hinder

Hinder is overlast, bijvoorbeeld van geur of geluid.

1992
2020-11-29
Hoofdlijnen Nederlands Recht

Hoofdlijnen Nederlands Recht

hinder

Op onrechtmatige wijze inbreuk maken op rechten van anderen als gevolg van rumoer, trillingen, stank enzovoort.

1973
2020-11-29
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

hinder

m., wat iemand hindert, belemmering, overlast, onaangenaam gevoel enz.: als u — van de rook hebt, doe ik mijn sigaret uit; — van iets ondervinden; hij is iedereen tot —, tot last; kinderen zijn hinderen, veroorzaken veel last; soms ook voor verdriet.

1898
2020-11-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hinder

HINDER, m. wat iemand hindert, belemmering, overlast, onaangenaam gevoel enz.; als ge hinder van den rook hebt, gooi ik mijne sigaar weg; ik heb weer hinder van mijn been; hij is iedereen tot hinder, tot last; — kinderen zijn hinderen, veroorzaken veel last.

Lees verder
1898
2020-11-29
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Hinder

zie Afbreuk.