Hij heeft van den boom der kennis gegeten
Kennis (boom), Gen. 2: 9. 3: 5, 6, 22. Deze spreekwijze wordt meermalen gebezigd om aan te duiden dat iemand uit den toestand eener zoogenaamde zalige onwetendheid ontwaakt en tot helder inzicht is gekomen in datgene, wat hem vroeger duister was, en het voor velen in zijne omgeving nog is: soms van zaken des dagelijkschen levens, maar meer nog van...