Wat is de betekenis van herrie?

2019
2021-09-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

herrie

herrie - Zelfstandignaamwoord 1. veel en onaangenaam geluid Synoniemen kabaal, lawaai

Lees verder
2018
2021-09-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

herrie

herrie - zelfstandig naamwoord uitspraak: her-rie 1. veel en onaangenaam geluid ♢ het was een herrie in dat café! Zelfstandig naamwoord: her-rie de herrie Synoniemen kabaal, keet, lawaai, leven, rumoer...

Lees verder
2017
2021-09-24
Uit Oost en West

verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië

herrie

zie kerrie.

Lees verder
1997
2021-09-24
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

herrie

In de verwensing krijg de herrie! lijkt herrie een soort substituut te zijn voor een afschuwelijke kwaal of ziekte. Herrie, dat omstreeks 1800 voor het eerst in onze taal is binnengedrongen, heeft nog een zeer onzekere etymologie. Misschien moeten wij voor een verklaring van de verwensing aansluiting zoeken bij de betekenis &ls...

Lees verder
1973
2021-09-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

herrie

v./m., 1. lawaai: maak niet zon —;2. drukte, beweging, opschudding, verwarring: wat is er een — op straat; schoppen, opschudding veroorzaken; zakkenrollers hebben van de gebruik gemaakt om hun slag te slaan; 3. gezanik, ruzie, twist: met iemand krijgen.

1952
2021-09-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Herrie

s., herje, rûzje, spul (it), gewelt (it), drokte, rêdding, koarje; — maken, it optille.

1950
2021-09-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Herrie

v., 1. lawaai: maak niet zo’n herrie; 2. drukte, beweging, opschudding, verwarring: wat is er een herrie op straat; herrie schoppen, opschudding maken; zakkenrollers hebben van de herrie gebruik gemaakt om hun slag te slaan; 3. gezanik, ruzie, twist: herrie met iem. krijgen.

Lees verder
1898
2021-09-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Herrie

HERR v. drukte, beweging, opschudding, verwarring: wat is er eene herrie op straat; maak niet zoo’n herrie; herrie schoppen, opschudding maken; zakkenrollers hebben van de herrie gebruik gemaakt om hun slag te slaan; herrie met iem. krijgen, gezanik, ruzie, twist.