Hemel
m. (-en ; in de bet. 3. en 8 -s), 1. het schijnbare gewelf dat de aarde omsluit en waaraan de zon, maan en sterren zich vertonen, het uitspansel: in den beginne schiep God den hemel en de aarde (Gen. 1:1); de hemelen vertellen Gods eer (Ps. 19:2); de hoge hemel; de sterren aan de hemel; — de zon staat reeds hoog...