Wat is de betekenis van helemaal?

2019
2021-05-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

helemaal

helemaal - Bijwoord 1. in z'n geheel Hij was helemaal nat geworden. Uitdrukkingen en gezegden ♦ van a tot z helemaal

Lees verder
2018
2021-05-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

helemaal

helemaal - bijwoord uitspraak: he-le-maal 1. geheel en al, in alle opzichten ♢ die opmerking van Clement was helemaal te begrijpen 2. om aan te geven dat het ver weg is ♢ ik moest helemaal naar...

Lees verder
1998
2021-05-11
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Helemaal

1. ben je nu -je huis kwijt,zie huis. 2. dat is het-,dat is uitstekend, geweldig, prachtig. Opgekomen in de jeugdtaal van de jaren zeventig en blijkbaar nog steeds populair. Die heeft het helemaal is een modieuze uitdr. voor ‘dat is de juiste persoon voor iets’. ... die kleine chick daar! Met dat korte rooie truitje! ... Heeeeelémaal!... Zeg! Héél...

Lees verder
1997
2021-05-11
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

helemaal

Een aantal malen komt in ons materiaal de verwensing hen je nou helemaal! voor. Ik zie daarin een verkorting van ben je nou helemaal besodemieterd, belatafeld of van god los. Voorts ben ik van mening dat deze term woede en andere frustratie uitdrukt.

1973
2021-05-11
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

helemaal

(het accent wisselt), bw., geheel en al: hij is — in de war; heb je dat alleen gedaan?; — niet, volstrekt niet; ben je nu —?, nl. gek; (gemeenz. kindertaal) ter aanduiding van de grootheid van een afstand: dat pakje komt — uit Amerika.

1952
2021-05-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Helemaal

adv., hielendal, foargoed, alhiel, oer en oer; niet —, net earlik; - niet, net heal; het is nietzo, it hat der oan.

1950
2021-05-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Helemaal

bw., geheel en al: hij is helemaal in de war; heb je dat helemaal alleen gedaan?helemaa' niet, volstrekt niet; — (ellipt.) ben je nu helemaal'?, nl. gek ; — (gemeenz., kindert.) ter aanduiding van de grootheid van een afstand: dat pakje komt helemaal uit Amerika.