Wat is de betekenis van heide?

2020
2021-09-18
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Heide

Zie Adelheid

2019
2021-09-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

heide

heide - Zelfstandignaamwoord 1. een met heidekruid begroeide vlakte Zijn huis staat in het midden van een grote heide. heide - Werkwoord 1. enkelvoud verleden tijd van heien ♢Ik heide ♢Jij heide ...

Lees verder
2018
2021-09-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

heide

heide - zelfstandig naamwoord uitspraak: hei-de 1. zandvlakte waar paarse en witte planten op groeien ♢ de heide lag er vandaag prachtig bij 2. lage, struikachtige plant met paarse en witte bloemetjes ...

Lees verder
1997
2021-09-18
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

heide

Je kunt in het Nederlands niet alleen iemand naar de Mokerhei wensen. Reeds bij Harrebomée [1858] komt de verwensing voor ik wenschte dat gij op de heide te Hoboken laagt! Ik vertaal dat als een uiting van woede, minachting of frustratie. zie Hoboken, Mokerhei.

1990
2021-09-18
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

heide

heide - Een heide is een benaming voor een plantengemeenschap die vooral voorkomen op voedingsarme, verzuurde gronden, het wordt gekenmerkt door laaggroeiende houtachtige vegetatie.

1985
2021-09-18
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

HEIDE

naam van een aantal Noordbrabantse buurtschappen en wel in de gemeenten Beek en Donk, Cuijk en Sint Agatha, Drunen, Heeswijk-Dinther, Oeffelt en Veghel.

1984
2021-09-18
Milieu-encyclopedie

Oosthoek milieu-encyclopedie

heide

vegetatie waarin dwergstruiken uit de heidefamilie (Ericaceae) of de kraaiheidefamilie (Empetraceae) domineren. Men onderscheidt verschillende typen heidevegetatie. Droge heide wordt gekenmerkt door struikheide of soms kraaiheide; vochtige heide wordt gekarakteriseerd door dopheide en vaak door pijpestrootje; op natte heide treft men dopheide en o....

Lees verder
1981
2021-09-18
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Heide

Men treft in ons land verschillende soorten heide aan: 1. gesloten heidevelden, geheel bedekt met struikheide, dopheide of kraaiheide, al of niet gemengd, en verder zijn vaak klein warkruid, stekel- en kruipbrem aanwezig; 2. vegetaties ten dele van heide, ten dele van andere planten. Tot deze andere planten behoren borstelgras, trekrus, gevlekte or...

Lees verder
1980
2021-09-18
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Heide

Zie Heyde.

1964
2021-09-18
voornamen

Voornamenboek

Heide

v->Adelheid Heidelinde v Du. naam. Contaminatie uit Heide en Herlinde. Deze combinatie levert geen zinvolle betekenis op, is ook niet oorspr. Germ. Heidelore v Du. naam. Voor het eerste lid zie Heide; het tweede deel is een samentrekking uit Eleonore.

Lees verder
1958
2021-09-18
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

HEIDE

Woord komt nog in vele plaats- en landnamen voor, een bewijs dat er vroeger veel meer H. geweest is. ‘Heidtsjer’ (H.-bewoner) was vrijwel synoniem met armoedzaaier. H. betekende oorspronkelijk 'wild, niet bebouwd land’ (vgl. H.n-schap bij Workum en Grouw, de H. te Lutkewierum).Zie: Fr. Plaknammen II, 60-62; Moerman, 95. Heid...

Lees verder
1952
2021-09-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Heide

s., heide; van(gemaakt), heiden.

1950
2021-09-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Heide

in de spreekt. HEI, v. (heiden), 1. (een uitgestrekt stuk) onbebouwde, gewoonlijk min of meer golvende, met een dunne aardlaag bedekte en in hoofdzaak met het onder 2. genoemde gewas begroeide zandgrond : schapen op de heide; de Luneburger heide ; iem. naar de Mokerhei wensen, hem verwensen; 2. de plantensoort die op zulke gro...

Lees verder
1933
2021-09-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Heide

1) → Friea; 2) veld, begroeid met 1).

Lees verder
1916
2021-09-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Heide

Heide - in den ruimsten zin een plantenformatie, bestaande uit open terrein zonder noemenswaardigen boomgroei, waarvan de houtige planten bijna uitsluitend uit lage, altijd-groene heesters of halfheesters bestaan en dat tevens geen gesloten grasbedekking draagt. Dat alleen kleine, lage heesters kunnen voorkomen, is het gevolg òf van sterke uitloogi...

Lees verder
1898
2021-09-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Heide

HEIDE, ook HEI, v. (heiden), onvruchtbare, dorre vlakte, onbebouwde zandgrond schapen op de heide; de Luneburger heide; iem. naar de Mooker heide wenschen, hem verwenschen; — de plant die op de heide groeit, heidekruid; de gewone heide of struikheide (calluna vulgaris) en de fijne heide of dopheide (erica tetralix): de afgesneden heide dient...

Lees verder
1870
2021-09-18
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Heide

Heide is de naam van uitgestrekte laaglanden in Midden-Europa; welke uit zand- of veengronden bestaan en met heideplanten (zie Erica en Ericaceën) begroeid zijn. Eene groote heide, de Ahlheide genaamd, bedekt het binnenland van Jutland. Uitgestrekt is vooral de Iüburger Heide op den linkeroever van de Elbe, alsmede de Heide van Debreczin in Hongari...

Lees verder