2019-11-18

heibel

heibel - Zelfstandignaamwoord 1. (Jiddisch-Hebreeuws) ruzie Woordherkomst Herkomst: Bargoens

2019-11-18

heibel

heibel - zelfstandig naamwoord uitspraak: hei-bel 1. toestand van kwaad zijn op elkaar ♢ er is de laatste tijd veel heibel in de vakbeweging Zelfstandig naamwoord: hei-bel de heibel Synoniemen bonje, conflict, geschil, meningsverschil, onenigheid, ongenoegen, onvrede, ruzie, stront, twist, verdeeldheid, wrijving Tegenstellingen genoegen, h...

2019-11-18

heibel

drukte, rumoer, herrie, ruzie In 1903 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst, in de vorm hijbel. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke, als heibel. Ook aangetroffen in de vormen haabel, habel en haabil. Waarschijnlijk is ook heilie (zie aldaar) een vormvariant van heibel. Via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuwse hèwel, dat ‘adem, wind, nietigheid’ en ‘v...

2019-11-18

Heibel

HEIBEL, v. (-en), eene vrouw die veel drukte maakt met haar werk, met haar mond; inz. vrouw met een wijden bek, ruwe, kijfzieke vrouw.

2019-11-18

heibel

drukte; rumoer; herrie; ruzie.

2019-11-18

heibel

heibel - (argot), drukte, rumoer, herrie, ruzie; „heibelmaker” : ruziestoker.

2019-11-18

heibel

(Hebr.) m. drukte, lawaai, leven, herrie, ruzie.