Wat is de betekenis van Heet?

2022
2022-09-26
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

heet

1) (1980+) (politie) (bijv. van een bericht) net verspreid of uitgegeven. • Aan de stem van de mobilofoniste hoorden we dat het menens was. Wij noemden zoiets ook wel een 'heet bericht', dat al wordt doorgegeven terwijl de beller nog aan de lijn is. (Frans Kwantes & Fred Hollinga: 3.0.3. is ter plaatse. 1986) 2) (1990) (...

Lees verder
2019
2022-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

heet

heet - Bijvoeglijk naamwoord 1. heel warm De koffie is nog te heet om te drinken''. 2. scherp, pittig, brandend van smaak Door de vele pepers was het eten erg heet''. heet - Werkwoord 1. enkelvoud tegenwoordige tijd van heten 2....

Lees verder
2018
2022-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

heet

heet - bijvoeglijk naamwoord 1. erg warm ♢ de soep is te heet om te eten 1. praten alsof je een hete aardappel in je keel hebt [bekakt] 2. hete bliksem ...

Lees verder
2017
2022-09-26
Beursspeculanten

Jargon & Slang van Beursspeculanten

Heet

gezegd van aandelen die op hun topkoers staan. Vgl. Eng. hot issue. Vb.: Mijn Petro's (aandelen van Petrofina) zijn heet. ​

Lees verder
2000
2022-09-26
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Heet

Heet noch koud of niet heet of koud worden (van iets), onverschillig blijven (over iets). Ook met warm noch koud. Dit beeld is gefundeerd op het universele verschijnsel dat opwinding en betrokkenheid met verhitting van het lichaam, en daarentegen onverschilligheid en afstand met verkilling samenhangen. De uitdrukking kan zich dan ook goed buiten bi...

Lees verder
1998
2022-09-26
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Heet

1. een hete aardappel, delicate zaak; netelige kwestie. Vgl. Engels-Amerikaans hotpotato. Hete aardappelen als de dijkverzwaring, de minderhedenproblematiek of de bezuinigingen op de bijstandsuitkeringen werden ook de afgelopen jaren zo lang mogelijk in de ijskast gezet door ze te verwijzen naar onafhankelijke werkgroepen a la Boertien. (Elsevier,...

Lees verder
1990
2022-09-26
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

heet

heet - Met of gekenmerkt door een hoge temperatuur of een gevoel van warmte.

1977
2022-09-26
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

heet

heet - geil, hartstochtelijk, begerig, vurig. Zy ... bood hem ... niet meer wederstand dan vereischt wierd om hem nog heter op haar te maken, Historiën v. Bocatius 1, 432 [1732]. Zijn schermkracht kan ik steeds vertrouwen, nooit hangt hij moe of lam terneer. En hij ontlokt de heetste vrouwen de kreet: ‘Heer Lid, ik kan niet meer!’,...

Lees verder
1973
2022-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

heet

bn. (heter, -st), 1. zeer warm: — water; de kachel is gloeiend —; (bw.) de zon branddegebakerd zijn; een — vuur, datveel warmte geeft; (fig.) voor een — vuur staan, in moeilijke, gevaarlijke omstandigheden verkeren; — van de rooster, net gebraden, (fig.) pas gereed, vers; — van de naald, zoéven afgewerkt,...

Lees verder
1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Heet

adj., hjit, hyt, gleon, glandich, hetsich, brânnich, bran(te)rich; — maken, hjitsje, hytsje; ik zit op hete kolen, de klean baerne my oan ’t liif, oan ’e hûd; op heter daad, op ’e die(d).

1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Heet

bn. (heter, -st), 1. zeer warm: heet water; hete stenen; de kachel is gloeiend heet; (bw) de zon brandde heet; heet gebakerd zijn (zie Bakeren);een heet vuur, dat veel warmte geeft; (fig.) voor een heet vuur staan, in moeilijke, gevaarlijke omstandigheden verkeren; — een pannekoek, heet uit de pa...

Lees verder
1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

heet

bn., bw.; heter, -st; zeer warm: heet water, een hete dag; de hete luchtstreek, een hete zomer; de zon brandde heet; zegsw. op hete (of: gloeiende) kolen staan (of: zitten; Z.-N. ook: lopen), hoogst ongeduldig zijn; een heet gevecht, hevig; hete tranen, bittere; zie bliksem, daad, ijzer, naald, vuur.

1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

heet

(he:t) bn. en bw. (heter, -st) 1. zeer warm : water; een vuur; een hete streek; de zon brandde -; het hebben ; het is altijd te - of te koud, nooit goed. → bliksem, daad, hangijzer, ijzer, kool, mus, naald, vuur. Tgst. koud. 2. scherp, hevig : een gevecht; het ging er toe. 3. verzot : ergens op zijn. 4. bitter : hete tranen.

Lees verder
1911
2022-09-26
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Heet

van den Germ. wt. hit = warm zijn; vgl. ons hitte.

1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Heet

HEET, bn. (-er, -st), zeer warm een heet vuur; (fig.) voor een heet vuur staan, in moeilijke, gevaarlijke omstandigheden verkeeren; heete brij; een pannekoek, heet uit de pan, pas uit de pan; — heet van den rooster; (fig.) pas gereed, versch; — het is altijd te heet of te koud, het is nooit goed; — op heete kolen staan (of zitte...

Lees verder
1864
2022-09-26
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Heet

Heet, bn. en bijw. (-er, -st), meer dan warm, brandend; - maken, doen gloeijen, (ook fig.); op -e kolen staan, ongeduldig zijn; (fig.) een -e dag, een vinnige veldslag; (fig.) eene -e drift; een - gevecht; prikkelend, bijtend, -e peper; verzot, verslingerd, - op het spel zijn; ontuchtig, geil; tochtig, bronstig (van dieren). *-EN, bw. gel. (ik hee...

Lees verder
1573
2022-09-26
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Heet

Feruidus, feruens, praeferuidus ger. heyss: ang. Hote.

Lees verder