Wat is de betekenis van heden?

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

heden

heden - Bijwoord 1. (formeel) in de tegenwoordige tijd, in deze tijd Dat is heden niet meer het geval. 2. (formeel) op deze dag Heden is Pinksteren. heden - Zelfstandignaamwoord 1. de tegenwoordige tijd Synoniemen [1]: nu...

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

heden

heden - zelfstandig naamwoord, bijwoord uitspraak: he-den 1. de tegenwoordige tijd ♢ dit verhaal speelt niet in het verleden maar in het heden 2. op deze dag ♢ heden is het feest Zelf...

2024-02-29
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

heden

Het WNT geeft een groot aantal, hoofdzakelijk negentiende-eeuwse, citaten waarin heden (1872) als een uitroep bij bevreemding, verwondering, verbazing, ergernis, schrik, beklag, vertedering enz. gebruikt wordt. Eigenlijk is het een bastaardvloek, t.w. een vervorming hetzij van Heer(e)!, hetzij van hemel! (dat beter aan de klank...

2024-02-29
Ambtelijk taalgebruik

Wouter de Koning (1976)

heden

1. vandaag; 2. nu.

Wil je toegang tot alle 12 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Heden

adv., hjoed, hjoeddedei; tot, ont nou ta.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Heden

I. bw., op deze dag, vandaag (buiten zegsw. alleen in deftige taal): ik ben heden jarig;de dag van heden, deze dag, ook, evenals heden ten dage, bij uitbr. voor : in de tegenwoordige tijd, in onze dagen, thans; evenzo in op heden; — in verschillende zegsw. om het wisselvallige dezer wereld uit te drukken:...

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

heden

1. bw., op deze dag, nu, vandaag: tot heden toe, van heden af; voor heden hebben wij genoeg gedaan; heden over 14 dagen; zegsw. heden rijk, morgen arm! 2. o., de tegenwoordige tijd; 3. t.w. euphemisme: Hemel! Heer!: heden nog toe!

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

heden

('he:dən) I. bw. 1. vandaag : hij is – jarig; – over 8 dagen; tot – toe; van – af; voor – is ’t genoeg; – geëerd, morgen verneerd; – rood, morgen dood; – verblijden, morgen lijden; – mijn, morgen dijn, vandaag is het mijn beurt, morgen de uwe (b. v. om te sterven). 2. tegenwoordi...

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

heden

I. bw., op deze dag, vandaag (buiten zegsw. alleen in deftige taal): —, de 17e januari; verschijnt; de dag van —, deze dag (ook) evenals — ten dage, bij uitbreiding voor: in de tegenwoordige tijd, thans; evenzo in op —; in verschillende zegsw. om het wisselvallige van dit leven uit te drukken; — verblijden, morgen lijd...

2024-02-29
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Heden

bet. thans vandaag (zie Huidig), maar duidde oorspr. een veel korter tijd aan, ongeveer: zoo juist, daar net. De afl. is onzeker, etymologisch niet verwant met huidig.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Heden

Het begrip heden heeft 2 verschillende betekenissen: 1. heden - HEDEN, bw. vandaag: ik ben heden jarig; de dag van heden, deze dag; heden ten dage. (bij uitbr.) in den tegenwoordigen tijd, in onze dagen, thans; — (in verschillende zegsw. om het wisselvallige dezer wereld uit te drukken) heden verblijden, morgen lijden; heden rood, morgen doo...

2024-02-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Heden

Heden, bijw. van daag; de dag van -; - ten dage; in den tegenwoordigen tijd, thans; het -, de tegenwoordige tijd; - mijn tijd! (uitroep van verwondering). *-DAAGSCH, bn. van den tegenwoordigen tijd, † modern, nieuwerwetsch; -e manieren; -e schrijvers.