Wat is de betekenis van Heb?

2024-04-22
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

heb

heb - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hebben ♢ Ik heb 2. gebiedende wijs van hebben heb! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hebben heb je?

2024-04-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Heb

m., het hebben, in vaste uitdr. : het is allemaal om de heb; hij is voor de heb, hebzuchtig : hij is van Kleef, hij houdt meer van de heb dan van de geef.

2024-04-22
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

heb

m. alleen in zegsw.: hij houdt van de heb, hij is voor de heb, hebzuchtig.

2024-04-22
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

heb

m. het hebben, bezit, alleen in uitdrukkingen : hij houdt meer van de – dan van de geef; voor de – zijn, hebzuchtig.

2024-04-22
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

heb

m., het hebben, in vaste uitdrukking: het is allemaal om de hij is voor de -, hebzuchtig,

2024-04-22
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-04-22
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Heb

HEB, m. in de uitdr. hij is van Kleef, hij houdt meer van den heb dan van den geef; (gew.) hij is voor den heb, hij is hebzuchtig.

2024-04-22
Prisma Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)