Wat is de betekenis van Haren?

2022
2022-11-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

haren

(1939) (sold.) zuurkool. Syn.: onderzeeër*. • Haren: zuurkool. (Paul Guermonprez: Praatjes en plaatjes van de soldaatjes. 1939)

Lees verder
2019
2022-11-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Haren

Haren - Eigennaam 1. (toponiem) dorp ten zuiden van de stad Groningen

Lees verder
2017
2022-11-30
B.D. Poppen

Schrijver op Ensie

Haren

In oliemolens van paardehaar en kuiplooileer gemaakte omslagen waarin de bulen met maalgoed onder de heien werden gebracht (onderscheiden in van vorm verschillende voorslags- en naslagsharen).

2000
2022-11-30
Bijgeloof

Lexicon van het Bijgeloof

Haren

Twee indrukwekkende teksten uit het Oude Testament tonen de belangrijke betekenis van haarlokken reeds in heel vroege tijden aan: de beroemde geschiedenis van Simson en Delila (bij Saint-Saëns: Samson et Dalila) – Simson’s bovenmenselijke kracht verdwijnt als men hem zijn haren afsnijdt - en de bespotting van de kaalh...

Lees verder
1999
2022-11-30
Encyclopedie Groningen

Nieuwe Groninger Encyclopedie

Haren

Gron.: Hoaren. 1. Gemeente ten Z.O. van de stad Groningen; opp. 45,95 km2 met 18.725 inwoners (1998). Zij omvat naast de hoofdplaats Haren de volgende dorpen en gehuchten: Glimmen, Noordlaren, Onnen, Essen, Felland, Groningerpunt (De Punt; deels), Harenermolen, Hoornsedijk en Paterswolde (deels). In 1915 verloor Haren het noordelijk deel van zijn g...

Lees verder
1998
2022-11-30
Monumenten in Groningen

Encyclopedie over monumenten in Groningen (2010)

Haren

Wegdorp, gelegen op de Hondsrug aan de weg van Groningen naar Assen en ontstaan in de vroege middeleeuwen toen hier twee essen werden aangelegd. De bijbehorende groengronden aan beide zijden werden al in de 12de eeuw beschermd door de aanleg van dijkjes langs de Hunze in het oosten en de Drentse A in het westen. In de 14de eeuw kwam de dijk tussen...

Lees verder
1985
2022-11-30
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

HAREN

oud kerkdorp in het voormalige graafschap Megen, nu in de Noordbrabantse gemeente Megen, Haren en Macharen, gelegen ten noordoosten van Oss, niet ver van de Maas met 688 inwoners (1985; in 1804 bedroeg dit 414). Haar betekent hoge landrug en Haren ligt dan ook op een zandrug. Het dorp wordt voor het eerst geroemd in een akte uit 1184, als Hachene....

Lees verder
1981
2022-11-30
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Haren

bij mensen en zoogdieren, draadvormige, uit hoorn bestaande vormingen der opperhuid. De draadvormige haarschacht steekt met de haarwortel in het haarzakje. Het verbrede onderste deel hiervan heet haarknop. Deze zit op de lederhuidpapil, die rijk is aan zenuwen en bloedvaten. Vele insekten zijn dichtbehaard. Ook veel planten zijn bedekt met haar, da...

Lees verder
1981
2022-11-30
Lexicon der Natuurgeneeskunde

Vraagbaak voor het moderne gezin (Uitgave Milinda Uitgevers, 1981)

Haren

met uitzondering van de binnenkant van de handen en de onderkant van de voeten is bij de geboorte het gehele lichaam met donshaar bedekt. Daaruit ontwikkelt zich, eerst op de hoofdhuid en in de puberteit een volgens geslacht en eigen aanleg min of meer sterke haargroei in de schaamstreek, de okselholten en bij de man op het gezicht en op de rest va...

Lees verder
1973
2022-11-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

haren

(haarde, heeft gehaard), het haar verliezen, verharen: de kat haart; ook van borstels.

1954
2022-11-30
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Haren

is liet dun uitslaan, pletten van de snede van een zeis of zicht met een hamer, zodat de snede gemakkelijker scherp kan worden gehouden. De bewerking gebeurt op een klein aambeeldje, haarspit genaamd. Men moet er voor zorgen juist de snede zelf te treffen en de hamer nauwkeurig in de richting van de snede te laten neerkomen.

Lees verder
1952
2022-11-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Haren

v., harje; de zeis —, seineharje.

1951
2022-11-30
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Hären

1. haren, van haar; haarachtig. 2. verharen.

Lees verder
1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Haren

(haarde, heeft gehaard), 1. een zeis scherpen op een aanbeeld (haarspit) door er met een hamertje (haarhamer) op te kloppen; 2. (gew.) het haart in de keel, het geeft een scherp, branderig gevoel (van rook of mist, van scherpe spijs of drank enz. waardoor men aan het kuchen raakt); 3. (gew.) springen (van de huid).

Lees verder
1949
2022-11-30
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Hărēn

zie aren . . .

1949
2022-11-30
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Haren

Onno Zwier van, (1711-1779), Ned. (Fries) dichter, door schandaal uit alle openb. ambten gestoten, schreef o.a. Indisch treurspel Agon tegen O.I. Comp., en De Geuzen, vaderlands epos ter verheerl. opstand tegen Sp.Willem van, (1710-zelfm. 1768), Ned. (Fries) dichter, broeder van Onno Zwier v. H., schreef o.a. heldendicht Gevallen van Friso en gedic...

Lees verder
1937
2022-11-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

haren

I. haarde, heeft gehaard; de zeis met de haarhamer scherpen op het haarspit. II. bn., van haar gemaakt: een haren kleed, boetekleed; Z.-N. een haren muts, gendarm.

Lees verder
1933
2022-11-30
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Haren

1) W. v. (1710/’68). Ned. dichter, 2) Onno Zwier v. (1713/’79), Ned. dichter, broeder v. 1).

Lees verder
1933
2022-11-30
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Haren

Haren - 1° Gem. in de prov. Groningen, ten Z. van de stad Gron. (;omvat de kom, Onnen, Essen, Harendermolen, Noordlaren, Glimmen, Tuindorp, Paterswolde (ged.); ca. 7 700 inw., waarvan 79% Prot., 1,5% Kath. en 17% onkerkelijk; opp. 5 402 ha (12% bouwland, 3% tuingr., 63% weiland, 2,5% bosch); veeteelt, landbouw, tuinbouw, 3 zuivelfabr. De gem. n...

Lees verder
1930
2022-11-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

haren

('ha:rәn) I. bn. van haar: een boetekleed, muts. II. (haarde, heeft gehaard) 1. het haar verliezen: de kat haart. 2. een zeis scherpen door er met een (haar)hamer op te kloppen.

Lees verder