Wat is de betekenis van hangerig?

2019
2022-12-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hangerig

hangerig - Bijvoeglijk naamwoord 1. (medisch) vooral van kinderen een beetje moe en ziek zodat iemand weinig actief is Hij herinnert zich hoe hij als kleine jongen ziek thuis was en hij zijn moeder in de keuken rondhing, in de tijd voor ze de zwijgende, zenuwzwakke tijdbom werd. Neuriënd bakte ze pannenkoek...

Lees verder
1973
2022-12-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

hangerig

bn., neiging hebbend om te hangen, lusteloos, druilig, m.n. als men een ziekte onder de leden heeft: kleine Jan is zo — vandaag, hij heeft zeker iets onder de leden.

1952
2022-12-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Hangerig

adj., hingerich.

1950
2022-12-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Hangerig

bn., neiging hebbende om te hangen (in de bet. I, 12.), lusteloos, druilig, inz. als men een ziekte onder de leden heeft: kleine Jan is zo hangerig vandaag, hij is zeker niet goed.

1937
2022-12-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

hangerig

bn. (lusteloos, linz. als gevolg van ongesteldheid]): het kind is hangerig.

1930
2022-12-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

hangerig

('hangərəch) bn. 1. neiging hebbend om te hangen, te leunen. 2. lusteloos, onwel: de jongen is wat-.

Lees verder
1898
2022-12-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hangerig

HANGERIG, bn. neiging hebbende om te hangen, op iets te leunen (inz. van iemand die lusteloos is of eene ziekte onder de leden heeft: kleine Jan is zoo hangerig vandaag, hij is zeker niet goed.