Hangen
(hing, heeft gehangen), I. Onoverg., 1. (van zaken) aan het boveneind ondersteund of bevestigd door eigen zwaarte nederwaarts gestrekt gehouden worden, veelal met de gedachte dat de zaak aldus heen en weer bewegen, slingeren kan: in een pendule hangt een slinger ; het touw hangt in het water ; zijn haren hingen hem voor de ogen;...