Wat is de betekenis van ham?

2020
2021-09-19
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

ham

Het begrip ham heeft 4 verschillende betekenissen: 1) achterbout van een dier. achterbout (dij en bil) van een dier, met name van een varken. 2) bereide achterbout van een varken. voor consumptie gedroogde, gepekelde, gerookte of gekookte achterbout, soms ook voorbout, van een geslacht varken. 3) vlees van de achterbout van een v...

Lees verder
2020
2021-09-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

ham

1) (1906) (Barg.) huis. Reeds bij Köster Henke. • Aume Bochel was weer aume Bochel. Nou kreeg hij straks snoeicenten ook; dat is halfvast; moest hij weer van de Stroomarkt voor hem meebrengen echte Beerenburgerkruiden, uit dat hammetje, waar dat malle wapentje op stond van ‘Fenesie’, die gouden leeuw met zijn bestoke...

Lees verder
2019
2021-09-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ham

ham - Zelfstandignaamwoord 1. (voeding) het vlees van de achterkant van een varken o.a. geschikt als beleg voor de boterham Veel mensen vinden ham heerlijk. 2. (anatomie) een dikke dij van een mens Daar bevindt zich de ham.

Lees verder
2018
2021-09-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ham

ham - zelfstandig naamwoord 1. stuk vlees van bil of schouder van varken ♢ de Franse slager had een paar hammen in zijn winkel hangen 2. plakje van de bil of schouder van een varken ♢ wil jij ook ham op je br...

Lees verder
2017
2021-09-19
Zendamateurs

Jargon & Slang van Zendamateurs

Ham

Ham - (Eng.) zendamateur. Van Eng. am = afkorting van amateur.

2016
2021-09-19
Culinair van a tot z

Culinair van a tot z

ham

Vlees afkomstig van de varkensachterham of varkensschouder. Ham wordt vaak gezouten en gerookt en daarna gebakken, gebraden, gekookt of rauw gegeten.

1985
2021-09-19
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

HAM

buurtschap in de Noordbrabantse gemeenten Dongen en Veghel.

1974
2021-09-19
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

ham

dij en schenkel van varken.

1958
2021-09-19
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

HAM

In plaats- en landnamen (Drogeham, Hammen bij Garijp en bij Westergeest). Hetzelfde woord als hem en him (door een dijk ingesloten, omheind land). Niet te verwarren met heem, hiem in de umnamen.Zie: Fr. Plaknammen II, 55-57; Moerman, 81; Schönfeld, Veldnamen 23, 113, 174.

Lees verder
1955
2021-09-19
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Ham

(Barg.) huis

1954
2021-09-19
Groninger Encyclopedie

K. ter Laan

Ham

in plaatsnamen = heem, erf, dorp. Zo in Den Ham, Hamdijk, Kolham, Foksham, De Hammen, Hamweg, Blijham, Hooghammen, Zuiderham (huis bij Aduard).

1954
2021-09-19
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Ham

een gemiddeld 40% vet bevattende soort varkensvlees.

1952
2021-09-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ham

s., skinke, (spek)hamme.

1950
2021-09-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Ham

v. (-men), 1. (alleen nog gew.) buiging, bocht van het been, kniekuil; 2. dij, achterbout, bil; inz. achterbout (ook wel voorbout) van een varken met het daaraan zittende vlees, hesp: een Westfaalse ham', hammen roken in de schoorsteen; — de houten ham komt daar op tafel, zij moeten kromliggen en toch nog stand ophouden;...

Lees verder
1949
2021-09-19
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

ham

huis. Ik smeer hem (ga weg) naar ham.

1933
2021-09-19
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Ham

→ Cham.

1933
2021-09-19
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Ham

Ham - 1° Bosch van, bosch nabij St. Mommelin (Fr. Vlaanderen).2° Den, ➝ Aduard (gem. in Gron.). 3° Gem. in de prov. Overijsel; opp. 4243 ha, zand en grootendeels afgegraven hoogveen. Ca. 6000 inw., waarvan 8% Kath., 50% Ned. Herv. en 33% Geref.

Lees verder
1916
2021-09-19
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Ham

Ham - 1) stadje in het Fransche dep. Somme, het . oude Picardië, ruim 3000 inw., gelegen aan de Somme, door spoorwegen verbonden met Tergnier, Albert en Amiens. Het is beroemd om zijn oude slot, met geweldig zwaren toren, die langen tijd als staatsgevangenis gebruikt werd. O. a. heeft de latere Napoleon III hier, als gevangene van 1840-46 doorgebra...

Lees verder
1898
2021-09-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ham

Het begrip ham heeft 3 verschillende betekenissen: 1. ham - HAM, v. (-men), buiging, bocht van het been, kniekuil; dij, achterbout, bil; inz. achterbout (ook wel voorbout) van een varken met het daaraan zittende vleesch, hesp: eene Westfaalsche ham, hammen rooken in den schoorsteen; — de houten ham komt daar op tafel, zij moeten krom liggen...

Lees verder