Wat is de betekenis van Halve?

2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

halve

halve - Bijvoeglijk naamwoord 1. verbogen vorm van de stellende trap van half

Lees verder
2017
2022-11-27
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Halve

Halve - fond Vlaamse term voor het stayeren. Zie demi-fond.

1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

halve

oorspronkelijk kant, zijde, thans alleen in samenst.: mijnenthalve (uwenthalve), ten opzichte van mij (van u), wat mij (wat u) betreft; ambts—, plichts—, uit hoofde, uit kracht van het ambt, de plicht; duidelijkheids—, fatsoens—, gemaks—, kortheids-, voor de duidelijkheid, het fatsoen, het gemak enz.

1951
2022-11-27
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

halve

halveren, in tweeën delen.

1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

halve

('halvə) I. v. (-n) Muz. halve noot. II. [-halve] avgs. [wat half is, is een zijde, een kant van iets ; van de zijde, van de kant van, en <] 1. wat betreft : mijnent-, uwent-, zijnenthalve. 2. ter wille van : gemakshalve. 3. krachtens : ambtshalve.

Lees verder
1900
2022-11-27
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

halve

Halve zijn klompen van de op één na kleinste maat.

1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Halve

HALVE, (alleen in samenst.) van den kant van, vanwege mijnenthalve, uwenthalve, van mijn (van uw) kant, wat mij (wat u) betreft; — ambtshalve, uit hoofde van het ambt; — duidelijkheidshalve, eershalve, welstaanshalve, om der wille van de duidelijkheid, eer, welvoeglijkheid; — derhalve, weshalve, behalve enz.

Lees verder
1864
2022-11-27
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Halve

Halve, bijw. ter oorzake van, om reden van, duidelijkheids-; ten wille van, mijnent-, zijnent-; zie verder HALF.