Wat is de betekenis van gummi?

2022
2023-02-07
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

gummi

(1968) (ook: gummijasje) (inf.) condoom. 'Gummiwaren' is ook een eufemistische term. • Ik was weer gezellig dronken. Maar toch durfde ik met die Engelse mokkels niks te doen zonder gummi. (Haring Arie: Een leven aan de Amsterdamse zelfkant. 1968) • Een paar weken was ik heel voorzichtig en flepte ik netjes met een gummitje aa...

Lees verder
2019
2023-02-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gummi

gummi - Zelfstandignaamwoord 1. rubber gummi - Bijvoeglijk naamwoord 1. rubberen, van rubber Woordherkomst van het werkwoord gummen Verwante begrippen elastiek, gom

Lees verder
2004
2023-02-07
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

gummi

Condoom. Vaag genoeg om zonder schroom bij de apotheek te vragen. ‘Gummiwaren’ hoor je ook wel eens als handelsterm. Een synoniem is: ballon*. ... dat zo’n klant stiekem het kapotje van z’n snikkel trekt en heerlijk zonder gummi ligt te fleppen. Haring Arie: Een leven aan de Amsterdamse zelfkant. 1968 Eerst de gummi over je piemel. Nou...

Lees verder
1993
2023-02-07
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Gummi

rubber; gom; gomelastiek

1981
2023-02-07
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Gummi

zie rubber.

1973
2023-02-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gummi

[Lat.], m./o., 1. gom: — Arabicum, →Arabische gom; 2. verouderde verzamelnaam voor caoutchouc en daaraan verwante elastische stoffen zoals rubber, balata, guttapercha; in vele samenst. ter aanduiding dat het bedoelde voorwerp van gummi is gemaakt.

Lees verder
1963
2023-02-07
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

gummi

(de, -’s), gummistok. Zie ook: baleta, bullepees.

1955
2023-02-07
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Gummi

o., plantenhars, gom

1951
2023-02-07
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Gummi

gomelastiek, gummi; rubber; gom (op postzegel); gevulcaniseerde caoutchouc; vlakgom.

1950
2023-02-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gummi

(Lat.), o., 1. gom: gummi Arabicum, Arabische gom; 2. verkorting van gummi elasticumT gomelastiek, caoutchouc, rubber; in vele samenst. ter aanduiding dat het bedoelde voorwerp van gummi is gemaakt.

Lees verder
1949
2023-02-07
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Gummi

indecl., n., en gummis, is, f. gom.

1948
2023-02-07
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

gummi

o. slijmhars, gom; ~ elasticum, elastieke gom, gomelastiek; ~ guttae, guttegom, geelhars.

1937
2023-02-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gummi

v. en o. (Gr.-Lat. gummi: gom, caoutchouc, rubber); als bn. zie opm. alpaca.

1937
2023-02-07
Pegasus

S. van Praag (1937)

gummi

o. slijmhars, gom.

1933
2023-02-07
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Gummi

gom, kleefstof uit plantensappen, die uit insnijdingen in boomen vloeit en daarna stolt. Uit de acacia: g. arabieum, Arab. gom, gedachtig, doorzichtig Zetmeel-gummi = dextrine, staat tusschen zetmeel en suiker in.

1933
2023-02-07
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gummi

Gummi - → Rubber.

1930
2023-02-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

gummi

m. en o. 1. gom: arabicum, Arabische gom. 2. Uitbr. caoutchouc, rubber.

Lees verder
1929
2023-02-07
Geneeskundige Encyclopaedie 1929

Dr. Ch. Bles

Gummi

(Gom), naam van een menigte in het plantenrijk zeer veel voorkomende stoffen, die onderling in eigenschappen en samenstelling veel overeenkomst vertoonen. In de meer bepaalde beteekenis van het woord verstaat men onder G. een stof, die met water een dikke, slijmachtige, kleverige vloeistof vormt. In den handel worden ook vele zelfstandigheden als G...

Lees verder
1928
2023-02-07
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Gummi

Zie: Caoutchouc.

1916
2023-02-07
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Gummi

Zie „Rubber”, „caoutchouc”, „getah-percha”.