Wat is de betekenis van Gruwelijk?

2020
2021-01-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

gruwelijk

(2004) (hiphoppers) geweldig; leuk. Veel woorden die iets negatiefs uitdrukken worden in jongerentaal vaak in een positieve betekenis gebruikt. Zie ook: kankervet*. • Deze rappers zijn taaluitvinders, met een razendsnel oor voor dubbelzinnigheid en vernieuwing. Ze flowen, rijmen en freestylen. Waar nodig bedienen ze zich van 'j...

Lees verder
2019
2021-01-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gruwelijk

gruwelijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. afschuw opwekkend In die kampen gebeurden er de gruwelijkste dingen. Woordherkomst Naamwoord van handeling van gruwen met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-

Lees verder
2018
2021-01-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gruwelijk

gruwelijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: gru-we-lijk 1. heel erg ♢ het dier was gruwelijk mishandeld 2. heel erg akelig, vies of lelijk ♢ de gebeurtenissen in dat kamp waren gruwelijk...

Lees verder
2014
2021-01-19
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

gruwelijk

tof, gaaf: VAN DEN BRAAK.

1973
2021-01-19
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

gruwelijk

bn. en bw. (-er, -st), 1. schrik, afkeer inboezemend, afschuwwekkend: een gruwelijke misdaad; (bw.) op gruwzame wijze: hij werd — mishandeld; 2. geweldig, verschrikkelijk, erg: een — onrecht; ik heb een gruwelijke hekel aan hem; 3. bw. van graad, verschrikkelijk erg: die jongen is — ondeugend; wat komt hij — laat.

Lees verder
1950
2021-01-19
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gruwelijk

bn. bw. (-er, -st), 1. schrik, afschrik inboezemend, afschuwwekkend: een gruwelijke misdaad; —(bw.) op gruwzame wijze : hij werd gruwelijk mishandeld ; 2. geweldig, verschrikkelijk, erg: een gruwelijk onrecht; ik heb een gruwelijke hekel aan hem ; — bw. v. graad, verschrikkelijk erg, ten zeerste: die jongen is...

Lees verder
1898
2021-01-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gruwelijk

GRUWELIJK, (gew. ook GROUWELIJK), bn. bw. (-er, -st), afgrijselijk, afschuwwekkend: eene gruwelijke misdaad; — geweldig, verschrikkelijk, erg ik heb een gruwelijken hekel aan hem; — (Z. A.) een gruwelijk kind, ondeugend; — bw. op gruwzame wijze: hij werd gruwelijk mishandeld; — verschrikkelijk erg, ten zeerste; die jongen is...

Lees verder
1898
2021-01-19
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Gruwelijk

zie Afgrijselijk.