Wat is de betekenis van gros?

2024-05-20
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-05-20
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

gros

gros - Zelfstandignaamwoord 1. een dozijn dozijnen = 144 stuks Hij verkocht zijn computers bij het gros. 2. het merendeel Het gros der mensen vindt dit onaangenaam. Woordherkomst Komt van het Franse grosse, wat weer van het Oudho...

2024-05-20
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

gros

gros - zelfstandig naamwoord 1. het grootste aantal ervan ♢ het gros van de bezoekers was tevreden 2. 12 dozijn, 144 stuks ♢ de winkelier kocht een gros zonnebrillen bij de groothandel Zelfstandig...

2024-05-20
Woordenboek vreemde woorden

A. Kolsteren en Ewoud Sanders (1994)

Gros

[Fr. grosse; oorspr.: vr. van gros = dik, met groot volume, van VLat. grossus, verdere afl. onzeker] twaalf dozijn, 144 stuks; het gros, de grote hoop; groslijst, voorlopige kandidatenlijst, waaruit de definitieve kandidaten gekozen moeten worden.

2024-05-20
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks (1993)

Gros

144 stuks; grootste deel

2024-05-20
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

gros

twaalf dosyn; meerderheid.

2024-05-20
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Gros

o., het grootste deel; twaalf dozijn.

2024-05-20
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Gros

s.n., gros (it).

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-05-20
Duits woordenboek (DU-NL)

Dr. H. W. J. Kroes (1951)

Gros

1. gros. 2. gros, hoofdmacht; meerderheid.