Grootte
v. (-n, -s), 1. de hoedanigheid van groot te zijn: door zijn grootte kon het schip in de haven niet wenden; (zegsw.) het is in de grootte niet gelegen, anders zou de koe de haas wel vangen; 2. uitgebreidheid, omvang, (breedte, lengte, dikte, oppervlakte enz.): de polder heeft een grootte van bijna 300 bunder; stukken van ve...