Wat is de betekenis van Grootte?

2019
2021-01-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

grootte

grootte - Zelfstandignaamwoord 1. de mate waarin iets groot is, de afmeting Een meloen ter grootte van een voetbal. Woordherkomst Afgeleid van groot met het achtervoegsel -te. Synoniemen maat omvang

Lees verder
2018
2021-01-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

grootte

grootte - zelfstandig naamwoord uitspraak: groot-te 1. hoe lang, breed of hoog het is ♢ de grootte van de zaal was enorm 1. op ware grootte [net zo groot als in werkelijkheid] ...

Lees verder
2017
2021-01-25
Kadaster

Woordenboek van het Kadaster.

Grootte

De grootte is de omvang van een perceel zoals vastgesteld en vastgelegd door het Kadaster, uitgedrukt in een oppervlakte-eenheid.

1973
2021-01-25
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

grootte

v. (-n, -s), 1. de hoedanigheid van groot te zijn: door zijn — kon het schip in de haven niet keren; 2. uitgebreidheid, omvang (breedte, lengte, dikte, oppervlakte enz.): de polder heeft een — van bijna 300 ha; de natuurlijke of ware —, de afmetingen zoals die in de natuur werkelijk zijn: een model op ware —, een karper van...

Lees verder
1950
2021-01-25
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Grootte

v. (-n, -s), 1. de hoedanigheid van groot te zijn: door zijn grootte kon het schip in de haven niet wenden; (zegsw.) het is in de grootte niet gelegen, anders zou de koe de haas wel vangen; 2. uitgebreidheid, omvang, (breedte, lengte, dikte, oppervlakte enz.): de polder heeft een grootte van bijna 300 bunder; stukken van ve...

Lees verder
1916
2021-01-25
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Grootte

Grootte - (Lat. magnitudo), de maat, waarin men de helderheid der sterren uitdrukt. Van oudsher heeft men de voor het bloote oog zichtbare sterren in 6 „grootte”-klassen ingedeeld: tot de le gr. worden Sirius, Wega, Arkturus, Capella, Ridjel, Procyon, Altair, Beteldjousa, Aldebaran, Spica, Pollux, Antares, Fomalhaut, Deneb en Regulus gerekend en ve...

Lees verder
1898
2021-01-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Grootte

GROOTTE, v. (-n), omvang, (breedte, lengte, dikte, oppervlakte enz.): de polder heeft eene grootte van bijna 300 bunder; stukken van verschillende grootte; — sterren van de eerste (tweede enz.) grootte, naar de indeeling der sterren naar haar graad van helderheid; — (fig.) hij is een ster van de eerste grootte, een bij uitnemendheid vo...

Lees verder