Wat is de betekenis van Grondeloos?

2024-06-24
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-24
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

grondeloos

grondeloos - Bijvoeglijk naamwoord 1. zonder grond Hij had een mysterieus, grondeloos karakter. Woordherkomst afgeleid van grond met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -loos Synoniemen bodemloos, onpeilbaar, ondoorgrondelijk

2024-06-24
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Grondeloos

adj., groun(e)leas, boaijemleas.

2024-06-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Grondeloos

bn. (...lozer, -t), 1. zonder grond, bodemloos, oneindig diep; een grondeloze diepte; de grondeloze oceaan; — bij hem verzinkt het geld als in een grondeloze put, hij heeft nooit genoeg, komt altijd te kort; 2. (oneig.) oneindig diep of groot: de grondeloze goedheid Gods ; grondeloos verderf; 3. zonder vaste ondergrond:...

2024-06-24
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

grondeloos

bn.; grondelozer, grondeloost (zonder bodem; fig. zeer diep): de grondeloze zee, onpeilbaar; het grondeloze licht; fig. de grondeloze barmhartigheid Gods, onmetelijk.

2024-06-24
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

grondeloos

('grondə) bn. (...lozer, -t) 1. zonder grond. 2. zeer diep : de ...loze zee. 3. onmetelijk : Gods ...loze goedheid.

2024-06-24
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

grondeloos

bn. (-lozer, -t), 1. zonder grond, bodemloos, oneindig diep: een grondeloze diepte; bij hem verzinkt het geld als in een grondeloze put, hij heeft nooit genoeg, komt altijd te kort; 2. (oneig.) oneindig diep of groot: de grondeloze goedheid van God; 3. zonder reden.

2024-06-24
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Grondeloos

GRONDELOOS, bn. (...loozer, -t), zonder grond, bodemloos, oneindig diep: eene grondelooze diepte; de grondelooze oceaan; — bij hem verzinkt het geld als in een grondeloozen put, hij heeft nooit genoeg, komt altijd te kort; — de grondeloose goedheid Gods, Gods onuitputtelijke goedheid; — zonder vasten ondergrond; de modderwegen, op...