2019-12-09

grol

grol - Zelfstandignaamwoord 1. Aardigheid, gekheid, frats, gril, grap. grol - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grollen ♢ Ik grol 2. gebiedende wijs van grollen grol! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grollen grol je?

2019-12-09

Grol

1. Evenals Van Grol een herkomstnaam die duidt op herkomst uit Grol(le) = Groenlo in de Achterhoek of eventueel uit het gehucht Groll bij Breckerfeld in de Duitse deelstaat Nordrhein Westfalen. 2. Bijnaam voor een knorrepot, iemand die grolt (Duits).

2019-12-09

Grol

Grol - zie GROENLOO.

2019-12-09

grol

grol - v., beuzeling, zotternij; gekheid.