Wat is de betekenis van groei?

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

groei

groei - Zelfstandignaamwoord 1. het groter worden Zijn groei schokte de wereld. groei - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeien ♢ Ik groei 2. gebiedende wijs van groeien groei!...

2024-02-29
Studie begrippenlijst

Bijlesnetwerk (2017)

Groei

Een van de belangrijkste factoren van groei is het beter benutten van de productiefactor arbeid. Je hebt vast ooit de term ‘kenniseconomie’ gehoord, daarmee wordt vooral bedoeld dat arbeiders betere scholing moeten krijgen. Dat heeft te maken met de kwaliteit van arbeid, waar ook andere factoren als ervaring, arbeidsspecialisatie en gezondheid een...

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

groei

groei - zelfstandig naamwoord 1. steeds groter of beter worden ♢ de groei van de club is enorm 1. op de groei gekocht [zo groot, dat je er nog in kunt groeien] 2. persoonlijke g...

2024-02-29
Woordenboek Nederlandse termen van Bibliotheek en documentaire informatie

dr. P.J. van Swigchem en E.J. Slot (1990)

groei

zie: bestandsgroei.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

groei

groei - Het toenemen in grootte of substantie door natuurlijke ontwikkeling.

2024-02-29
Encyclopedie van het milieu

Oosthoek (1984)

groei

Een levend wezen blijft niet onbeperkt groeien. De groei blijft beperkt tot de in de erfelijke factoren vastgelegde grootte. Meercellige organismen groeien door vermeerdering van de cellen (celdeling). Fysische en chemische elementen kunnen de groei beïnvloeden. Zo speelt licht een rechtstreekse rol bij de groei van planten. Een onevenredige g...

2024-02-29
Encyclopedie voor Zelfstudie

drs. L.A. Beeloo (1981)

Groei

is een wezenlijke eigenschap van alle levende wezens; hij is een gevolg van de toename in grootte en gewicht na de opname van water en voedsel. In het verloop van de groei delen en vermeerderen zich de cellen, en zodoende vindt een vergroting van de organen en van het gehele lichaam plaats. Onbegrensde groei vindt men bij planten, begrensde...

2024-02-29
Lexicon der Natuurgeneeskunde

Ernst Meyer Camberg (1981).

Groei

het geleidelijk aan bereiken van bepaalde afmetingen en gewicht. Begint met de bevruchting van het ei in het moederlichaam en bereikt een bepaalde afsluiting na de puberteitsjaren, ongeveer in het midden van de twintiger jaren. De lichaamsgrootte is vastgesteld in de erfelijke aanleg, wordt bestuurd door de klieren met interne secretie, maar ook do...

2024-02-29
Biologische encyclopedie

G. Th. van Kempen (1974)

groei

volumetoename van organisme door toename van cellen (celdeling), de hoeveelheid tussencelstof of vergroting van de cellen (celstrekking). Groei wordt bepaald door genotype, beschikbare voedsel, hormonen (groeihormoon, thyroxirie). Bij hogere planten vindt groei plaats door celdeling in groeitoppen en door celstrekking. Celwanden groeien sterk, de...

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie supplement

Oosthoek (1972)

Groei

m., 1. het toenemen in grootte. ©ANTROPOBiOLOGiE.De groei van een kind verloopt volgens een zeker patroon. De hoge groeisnelheid uit de foetale fase vertraagt na de geboorte en blijft van het ca. 4e tot het 10e-12e levensjaar vrijwel constant. Bij het intreden van de puberteit neemt de groeisnelheid sterk toe (adolescentiegroeispurt). Hierna...

2024-02-29
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

groei

toeneem in grootte; gegroei, groter (meer) word.

2024-02-29
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Groei

Onomkeerbare vergroting van de afmetingen van een organisme. De g. verloopt in twee fasen: 1. een vergroting van het aantal Nellen door celdeling; 2. een vergroting van het volume van de cellen door celstrekking.

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Groei

s., groei, dij, waeksdom, hael, groed(e), tier.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Groei

m.. 1. het groeien, het toenemen in grootte van levende wezens of hun organen : de groei der planten ; de groei van het haar; die knaap is in zijn groei, in zijn wasdom, de periode waarin hij groeit; — een broek die op de groei gemaaid is, te groot en te wijd genomen, ten einde ook bij toenemende wasdom te kunnen d...

2024-02-29
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

GROEI

(1, planten) noemt men de irreversibele volume toeneming van een plant of een plantendeel. Men onderscheidt groei door celdeling, waarbij nieuwe cellen gevormd worden en groei door celdeling, waarbij reeds gevormde cellen in volume toenemen. Het verloop van de groei is nauw verbonden met de ontwikkeling van de plant en de daarbij optredende differe...

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

groei

m. (het groeien of wassen; groeikracht): (nog) in de groei zijn, nog groeien; dat jasje is op de groei gemaakt, zit den knaap wat ruim; er zit groei in die boom; zijn volle groei bereikt hebben, wasdom.

2024-02-29
Encyclopedie voor Iedereen

John Kooy (1933)

Groei

uitbreid. v/h weefsel van organismen, waardoor de lichaamsomvang toeneemt.

2024-02-29
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Groei

Groei - 1° plantk. De toppen van wortels en stengels bestaan uit cellen, die zich voortdurend vermenigvuldigen door deeling. → Groeipunten. De cellen, die naar de zijde van den top gevormd worden, blijven hun vermogen tot vermenigvuldiging behouden; de cellen, die naar de andere zijde ontstaan, gaan direct of na eenige deelingen over in vo...

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

groei

m. I. Eig. het groeien : in de zijn; een jasje op de gemaakt. II. Metn. 1. periode waarin iemand, iets groeit, wasdom ; zijn volle bereikt hebben. 2. groeikracht: er zit geen in dat kind. 3. planteuitspruitsel: snoei die wilde af.

2024-02-29
Polulaire Geneeskundige Encyclopaedie

Dr. Ch. Bles (1929)

Groei

Alle weefsels van het menschelijk lichaam bestaan uit elementen, die aan de buitenwereld ontnomen zijn. Het bloed is de drager hiervan, en doordat dit de vereischte stoffen aan alle deelen toevoert, verkrijgen deze het noodige materiaal om hun samenstelling te onderhouden. In het moederlichaam ontvangt het bevruchte ei de kenteekenen van zijn soort...