Wat is de betekenis van Grijs?

2020
2021-09-22
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

grijs

(1933) (inf.) heel erg, ellendig, beroerd. 'Maak het niet te grijs'. • Nee, zègl Dat is te grijs.... En toch geloof ik verdomd, dat je gelijk hebt, meneer Piron, het kan haast niet anders. (A. Roothaert: Spionnage in het veldleger. 1933) • Die beroerlingen bederven het voor de anderen; ik vind: een beetje bed...

Lees verder
2019
2021-09-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

grijs

grijs - Zelfstandignaamwoord 1. (kleur) elke neutrale kleur tussen wit en zwart Dit grijs lijkt wel erg donker. grijs - Bijvoeglijk naamwoord 1. (kleur) de kleur grijs hebbend Dat is een grijze auto. grijs - Werkwoord...

Lees verder
2018
2021-09-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

grijs

grijs - bijvoeglijk naamwoord 1. kleur die gemaakt is van zwart en wit ♢ oude mensen hebben vaak grijze haren 1. in het grijze verleden [heel lang geleden] 2. de grijze cellen...

Lees verder
1998
2021-09-22
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Grijs

1. dat is al te-,da’s heel erg, schandalig, bar. Maak het nou niet te grijs is ‘maak het niet te bont. De herkomst is onduidelijk. 2. de grijze golf,het stijgend aantal bejaarden. Perscliché en modieuze uitdr. Sinds beginjaren negentig. De Grijze Golf is niet van het dociele soort, maar stelt - gezond van lijf en leden en vaak met een redelijk ink...

Lees verder
1973
2021-09-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

grijs

I. bn. (grijzer, -t), 1. tint die ontstaat door menging van zwart en wit; lichtgrauw, witachtig vaal van kleur: — tekenpapier; grijze kousen; — van het stof; een grijze dag, een nevelachtige dag; m.n. van het haar dat zijn kleur verliest doordat geen pigment meer gevormd wordt: het eerste grijze haar; (zegsw.) zich over iets geen grijze...

Lees verder
1952
2021-09-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Grijs

adj., griis, grau, skier; — worden, griizje, skierkje; de lucht is —, de loft is grounich, bilommere; — worden door de schemering, skimerskier(k)je.

1950
2021-09-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Grijs

I. bn. (grijzer, -t), 1. kleur of tint ontstaande door menging van zwart en wit (ook van blauw, rood en geel), lichtgrauw, witachtig vaal van kleur: grijs tekenpapier ; grijze kousen ; grijs van het stof ; het weiland, was grijs van de rijp ; een grijze dag, een nevelachtige dag; — in ’t bjjz. van het haar da...

Lees verder
1933
2021-09-22
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Grijs

Grijs - Grijs worden, (geneesk.) → Canities.

1898
2021-09-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Grijs

Het begrip grijs heeft 2 verschillende betekenissen: 1. grijs - GRIJS, bn. (grijzer, -t), lichtgrauw, witachtig vaal van kleur grijs haar; grijs teekenpapier; grijze kousen; het weiland, was grijs van de rijp; een grijze dag, een nevelachtige dag; — (spr.) zich over iets geen grijze haren laten groeien, er zich geene zorgen over maken, zich...

Lees verder