Wat is de betekenis van gonzen?

2020
2022-05-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

gonzen

(1947) (mar.) zeuren; kletsen; roddelen. In de zin van 'grommen, knorren' reeds opgetekend bij Wolff en Deken (1785): "Wy gonzen, en morren, en grommen over alle beuzelingen." • (Dr. C.G.N. De Vooys: Verzamelde taalkundige opstellen. Deel III. 1947) p. 241 • Gonzen. Overvloedig en vermoeiend praten. Geruchten doen de ronde. (F...

Lees verder
2019
2022-05-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gonzen

gonzen - Werkwoord Woordherkomst waarschijnlijk een klanknabootsing Uitdrukkingen en gezegden ♦ het gonst van de geruchten er gaan veel onbevestigde verhaaltjes de ronde Synoniemen ruisen

Lees verder
2018
2022-05-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gonzen

gonzen - regelmatig werkwoord uitspraak: gon-zen 1. een gonzend en trillend geluid maken ♢ de bijen gonzen rond de bloem 1. het gonsde door mijn hoofd [ik hoorde het steeds opnieuw] ...

Lees verder
1973
2022-05-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gonzen

(gonsde, heeft gegonsd), 1. klinken met een dof, verward geluid dat hoger is dan brommen, of wel zo’n geluid maken; het — van de bijen; 2. zeuren, malen.

Lees verder
1952
2022-05-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gonzen

v., gounzje, gonzje, holderje; aanhoudend zacht —, gounzelje, gonzelje.

1937
2022-05-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gonzen

gonsde, h. gegonsd (1 dof of brommend klinken; 2 een brommend, snorrend, suizend geluid voortbrengen): 1. zijn woorden gonzen nog in mijn oren; een dof geluid gonsde door de lucht; 2. de bijen gonzen, de kachel kan nog: gonzend vol, tjokvol.

Lees verder
1898
2022-05-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gonzen

(gonsde, heeft gegonsd), een dof brommend, verward geluid maken: de dreun der kerkpsalmen gonsde hem voortdurend in de ooren; het gonzen der bijen; een gonzend spinnewiel; de kogels gonsden door de lucht; — (Z. ) hij liegt dat het gonst, hij liegt alsof het gedrukt is; — hij lag mij voortdurend aan het hoofd te gonzen, te zeuren, te ma...

Lees verder
1898
2022-05-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Gonzen

zie Brommen.