Wat is de betekenis van glooi?

2024-07-14
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

glooi

glooi - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glooien ♢ Ik glooi 2. gebiedende wijs van glooien glooi! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glooien glooi je?

2024-07-14
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

glooi

geglooi, effens skuins afloop.

2024-07-14
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

glooi

m. (afhelling): de glooi der duinen.

2024-07-14
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

glooi

m. afhelling: de der duinen.

2024-07-14
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Glooi

GLOOI, m. glooiing, helling: langs den glooi der heuvelen.