Wat is de betekenis van Glijden?

2020
2021-12-05
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

glijden

1) (2008) (Amsterdam) (stud.) flirten. Gesignaleerd door Henk Spaan in Onze Taal, april 2008. • Gaan jullie nou maar. Ik vermaak me wel. Ik heb geen zin om de hele dag naar dat geglij van jou en Naïma te gaan zitten kijken. Jullie vinden elkaar zo geweldig, en ik hang er de hele dag maar een beetje bij. (Vrank Post: Kapot. 200...

Lees verder
2019
2021-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

glijden

glijden - Werkwoord 1. ergatief met geringe wrijving gericht voortschuiven Ze waren op hun sleetje van het talud gegleden. 2. (inerg) op een glijbaan spelen Hij heeft maar een klein stukje gegleden. Verwante begrippen glibberen, glippen...

Lees verder
2018
2021-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

glijden

glijden - onregelmatig werkwoord uitspraak: glij-den 1. bijna vanzelf vooruitschuiven over een glad oppervlak ♢ hij glijdt van de trapleuning naar beneden Onregelmatig werkwoord: glij-den ik glijd ...

Lees verder
1997
2021-12-05
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

glijden

zie slingerschijt. gloeiend In vele vloeken keert dit bijvoeglijk naamwoord terug, o.a. in: God gloeiende; gloeiende, gloeiende gort met stroop; gloeiende gloeiende koffiebonen; gloeiende godver; gloeiende godverdomme; gloeiende pooh en gloeiende gloeiende sodeju. Gloeiend wordt zelf weer vaak geintensifieerd door God...

Lees verder
1973
2021-12-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

glijden

(gleed, heeft en is gegleden), 1. zich langs een oppervlakte gemakkelijk, met zeer weinig wrijving voortbewegen: de slee gleed over het ijs; zij liet het goed vlug door haar vingers de boot gleed over het water; voortschuiven, m.n. over ijs of sneeuw: de jongens hebben na schooltijd nog een kwartiertje gegleden; door te weinig wrijving uitschieten...

Lees verder
1952
2021-12-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Glijden

v., glide, glydzje, g l i e d, g l i d e n; sluorkje, sljurkje, sluerkje, glier(j)e, sliere, skûlje, skuil(j)e, skuijelje, sloeije; baantje —, baentsjeglide, -sliere, slierejeije, slydtsjeglide; zacht, voorzichtig —, glierkje, glydskje, slydskje; om, door, op, van iets (doen) glijden, strûpe; s...

Lees verder
1937
2021-12-05
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

glijden

gleed, h. en i. gegleden (1 langs een oppervlak gemakkelijk, zonder merkbare wrijving voortglijden; 2 langs een helling vanzelf naar beneden schuiven; afzakken; afglijden;3 ontglijden; ontsnappen, ontschieten): 1. de jongens hebben wel een uur gegleden, gesuld; de slee gleed over het ijs; ik (ook: mijn voet) kwam te glijden en ik viel, uitglijden;...

Lees verder
1898
2021-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Glijden

GLIJDEN, (gleed, heeft en is gegleden), langs eene gladde oppervlakte voortschuiven, sullen, inz. over ijs of sneeuw de jongens hebben na schooltijd nog een kwartiertje gegleden; op de billen glijden, zeker kinderspel, ook postwagenrijden genoemd; — uitglippen mijn voet kwam te glijden en ik viel op den grond; — gemakkelijk over iets v...

Lees verder