Wat is de betekenis van Gissen?

2019
2023-01-31
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gissen

gissen - Werkwoord 1. een vermoeden uitspreken over iets Meten is weten, gissen is missen. gissen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gis Woordherkomst Afkomstig uit de scheepvaart. Door het werpen van een stuk hout in water bij de boeg e...

Lees verder
2018
2023-01-31
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gissen

gissen - regelmatig werkwoord uitspraak: gis-sen 1. erachter proberen te komen door te zeggen wat je vermoedt ♢ hij giste naar het juiste antwoord Regelmatig werkwoord: gis-sen ik gis ji...

Lees verder
1973
2023-01-31
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gissen

(giste, heeft gegist), (overg. en onoverg.) 1. trachten zich een voorstelling te maken door de verschillende mogelijkheden te overwegen, (minder onzeker dan) raden (naar iets): wij kunnen naar de oorzaak die kennen doen wij echter niet; (spr.) doet missen, men kan licht mis raden; 2. op grond van zekere gegevens een gevolgtrekking maken, vermoeden...

Lees verder
1971
2023-01-31
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Gissen

Gissen - 1. Het opstellen en bijhouden van het gegist → bestek. 2. Gissen buiten boord, in het Engels genoemd the Dutchman’s log, is het bepalen van de scheepssnelheid door het meten van de tijd die nodig is om een op de boeg overboord gezet drijvend voorwerp geheel of gedeeltelijk te passeren.

Lees verder
1952
2023-01-31
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gissen

v., gisje.

1951
2023-01-31
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Gissen

gissen.

1949
2023-01-31
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

gissen

wisselen; iemand die bij de wisselaars of ook in 't klein geld gaat wisselen en dan behendig iets in de mouw weet te krijgen. Op dat ambacht wordt wel gereisd.

1937
2023-01-31
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gissen

giste, h. gegist (vermoeden, onderstellen, ramen, raden): we kunnen naar iets gissen, maar gissen doet missen; zo ik gis.

1930
2023-01-31
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

gissen

(giste, heeft gegist) [(ver)geten] uit bekende omstandigheden vermoeden: naar iets -; doet missen; een jongeheer, van, zo ik gis 16 jaar; ik kan niet wat je bedoelt. Syn. raden, veronderstellen.

Lees verder
1898
2023-01-31
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gissen

GISSEN, (giste, heeft gegist), de verschillende mogelijkheden overwegen, raden naar iets: wij kunnen naar de oorzaak gissen, die kennen doen wij echter niet; al pratende en gissende wat voor geluid het mocht zijn, kwamen wij bij het huis; — (spr.) gissen doet missen, men kan licht mis raden; — eene gevolgtrekking maken, vermoeden, rade...

Lees verder
1864
2023-01-31
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Gissen

Gissen, bw. ow. gel. (ik giste, heb gegist), vermoeden, veronderstellen, raden; naar iets -, een vermoeden uiten; (spr.) - doet missen, vermoeden zonder zekerheid doet dwalen. *...SE, m. (-s), die gist. *...SING, v. (-en), het gissen; vermoeden, onderstelling.

Lees verder