Wat is de betekenis van gezet?

2024-02-29
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

gezet

(17e eeuw) (euf.) goed in het vlees; corpulent, zwaarlijvig. Woorden zoals ‘vet’ en ‘dik’ zijn natuurlijk taboe. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook op dit gebied allerlei eufemismen goed scoren. Het Frans blijkt een goede inspiratiebron (corpulent; embonpoint*) maar er zijn ook goede Nederlandse alternatieven zoals bu...

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

gezet

gezet - Bijvoeglijk naamwoord 1. zwaarlijvig, dik, corpulent gezet - Werkwoord 1. voltooid deelwoord van zetten Woordherkomst Voltooid deelwoord van zetten Naamwoord van handeling van zetten met het voorvoegsel ge- Verwante begrippen vet, vettig

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

gezet

gezet - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ge-zet 1. erg breed of met een grote omvang ♢ hij is niet dik, maar wel een beetje gezet Algemene uitdrukkingen: 1. op gezette tijden [op vaste tijd...

2024-02-29
Woordenboek van Eufemismen

Marc de Coster (2004)

gezet

Kiese omschrijving van zwaarlijvig, goed in het vlees zittend. Woorden zoals ‘vet’ en ‘dik’ zijn natuurlijk taboe. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook op dit gebied allerlei eufemismen goed scoren. Het Frans blijkt een goede inspiratiebron (corpulent*; embonpoint*) maar er zijn ook goede Nederlandse alternatieven zoals buikje*. Voor vrouwen e...

Wil je toegang tot alle 10 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Gezet

adj.; (bepaald), bipaeld, fêst(steld); (dik), grou; hij is zeer, hy hat in bulte fleis, flesk to dragen.

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

gezet

I. bn. (1 zwaarlijvig, dik, corpulent; 2 geregeld, bepaald, vastgesteld; 3 Z.-N. welgesteld, bedaard): 1. een gezette hotelhouder; 2. gezette arbeid; te gezetter tijd; fig. een gezet onderzoek, ernstig, grondig; 3. gezette mensen; II. bw. (regelmatig; op gezette tijden): gezet in de Bijbel lezen.

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

gezet

(gə'zet) bn. en bw. (-ter, -st of meest -) 1. geregeld, bepaald, vastgesteld : -te arbeid; te -ter tijd; bezig zijn. 2. ernstig, grondig : een onderzoek; -ter studeren. 3. flink lang en naar evenredigheid breed : een heer. Syn. → dik. 4. bezadigd : een man van -te leeftijd.

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

gezet

bn. en bw. (-ter, -st of meest -), I. bn., 1. bepaald, vastgesteld, vast: een gezette termijn, dag; op gezette tijden; 2. met geregelde tussenpozen terugkerend, geregeld: de gezette lezing van het evangelie; gezette arbeid, gestadige, onafgebroken; gezette studie, regelmatige, ernstige studie; 3. zwaarlijvig, corpulent: een gezette oude heer;...

2024-02-29
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Gezet

zie Dik.

2024-02-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Gezet

Gezet, dw. zie ZETTEN. *-, bn. (-ter, -st), dik, zwaarlijvig; geneigd, genegen, overhellende tot; vast, bepaald; de vrucht is -, de vruchtenknopjes vertoonen zich (na het afvallen der bloesems). *-HEID, v. gmv. dikte, zwaarlijvigheid; verzotheid (op iets), sterke begeerte (naar iets), hang.