Wat is de betekenis van Gezelschap?

2020
2021-09-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

gezelschap

(1901) (Vlaanderen, euf.) luizen. Syn.: bondgenoten*; lichte cavalerie*; familie*; huisdieren*; kinnef*; ongemak*; verwanten*. • Jan heeft gezelschap (luizen). (Biekorf. Volume 12. 1901) • Hij heeft gezelschap: ongedierte. (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)

Lees verder
2019
2021-09-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gezelschap

gezelschap - Zelfstandignaamwoord 1. een groep mensen die iets gemeen hebben Het hele gezelschap was gezellig op skivakantie. 2. iemand ~ houden': bij iemand blijven die anders alleen zou zijn Ik kan je niet langer gezelschap houden, ik moet naar m...

Lees verder
2018
2021-09-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gezelschap

gezelschap - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-zel-schap 1. groep mensen die samen iets doen ♢ het gezelschap ging de Zaanse Schans bekijken 2. het samenzijn met anderen ♢ wie houdt oma vanavo...

Lees verder
1973
2021-09-19
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gezelschap

o. (-pen), 1. het bijzijn van anderen: uit verveling zoeken zij —; hij is zijn — waard, hij is onderhoudend; iemand houden, voor de gezelligheid bij hem blijven; bijzijn: ik ben niet op zijn gesteld; in van, samen met; 2. de persoon of de personen waarmee men samen is: hij had niemand tot -, in goed zijn, zich bevinden, (oneig.) bepaal...

Lees verder
1952
2021-09-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gezelschap

s.n., selskip (it); (van genodigden), bisite, gearset, gearsit, boun (it), formidden (it); om de tafel of de haard zittend —, omsittend laech (it); onder hetzijn, mei yn it boun, yn ’t formidden wêze; — houden, selskip dwaen, hâlde, biselskipje; vanh...

Lees verder
1933
2021-09-19
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gezelschap

Gezelschap - noemt men in de dierkunde het in elkanders omgeving leven van gelijksoortige of verschillende dieren, die op elkanders samenzijn gesteld zijn.

1898
2021-09-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gezelschap

GEZELSCHAP, o. (-pen), het bijzijn van anderen uit verveling zoeken zij gezelschap; hij is zijn gezelschap waard, hij is onderhoudend; — iemand gezelschap houden, voor de gezelligheid bij hem blijven; — ik ben niet op zijn gezelschap gesteld, op zijn bijzijn: ik hoop niet, dat ik u met mijn gezelschap lastig val; hij is gaarne in het g...

Lees verder
1898
2021-09-19
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Gezelschap

zie Bond.