Wat is de betekenis van Gezegend?

2019
2020-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gezegend

gezegend - Werkwoord 1. voltooid deelwoord van zegenen gezegend - Bijvoeglijk naamwoord 1. gelukkig en tevreden Hij verkeerde in de gezegende omstandigheden dat hij rijk en gezond was en ook nog een leuke vrouw had. 2. (van jonge vrouwen) gezegende omstandigheden: zwanger zi...

Lees verder
2018
2020-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gezegend

gezegend - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ge-ze-gend 1. blij en tevreden ♢ hij is een gezegend mens 1. daar ben je mee gezegend [spottende reactie als iemand iets vervelends is overkomen]...

Lees verder
1998
2020-11-27
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Gezegend

in -e omstandigheden zwanger. Deze volkse uitdr., die tegenw. wat archaïsch overkomt, heeft wellicht een bijbelse oorsprong: een verwijzing naar de woorden van de aartsengel Gabriël tot Maria: ‘Gij zijt gezegend onder de vrouwen’ (Lucas 1:28). Vgl. Duits gesegnetes Leibes.

Lees verder
1973
2020-11-27
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

gezegend

bn. en bw. (-er, -st), 1. geloofd, geprezen; — hij die komt in de naam des Heren (Luc. 13,35); in — aandenken blijven, van afgestorvenen; 2. zegenrijk: de gezegende invloed die van hem uitgaat; 3. begenadigd, gelukkig: leef -; een gezegende streek; in gezegende omstandigheden verkeren, zwanger zijn; hij overleed op de gezegende leefti...

Lees verder
1926
2020-11-27
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gezegend

De oorspronkelijke woorden beteekenen in de Schrift zoowel gezegend als geprezen. Van God en Christus gebruikt, wordt er een lofprijzing, verheerlijking, meê bedoeld (Gen. 9 : 26; 14 : 20; Ex. 18 : 10; 1 Sam. 23 : 32, 39; 1 Kon. 5:7; Matth. 21 :9; 23:39; Marc. 11 : 9; 14 : 61; Luc. 13 : 35; 19 : 38; Joh. 12 : 13). Hetzelfde woord, den lof van...

Lees verder
1898
2020-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gezegend

GEZEGEND, bn. bw. (-er, -st), geloofd, geprezen gezegend is hij die komt in den naam des Heeren; in gezegend aandenken blijven, van afgestorvenen; — zegenrijk de gezegende invloed die van hem uitgaat; — begenadigd, beweldadigd, gelukkig leef gezegend; een gezegende streek; een gezegend huishouden; — in gezegende omstandigheden v...

Lees verder