Wat is de betekenis van gezamenlijk?

2019
2022-07-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gezamenlijk

gezamenlijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. alle 2. van allen, door allen Woordherkomst afgeleid van zamelen met het voorvoegsel ge- met het achtervoegsel -lijk Verwante begrippen algemeen, collectief, gemeen, gemeenschappelijk

Lees verder
2018
2022-07-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gezamenlijk

gezamenlijk - bijwoord uitspraak: ge-za-men-lijk 1. bij of met elkaar ♢ zullen we gezamenlijk naar de kerk gaan? Bijwoord: ge-za-men-lijk Synoniemen bijeen, samen, tezamen Tegenstellingen afzonderlijk, alleenstaand, apart

Lees verder
1973
2022-07-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gezamenlijk

bn. enbw., I. bw., samen, met elkaar: zij gingen op weg; II. bn., de gezamenlijke burgers, alle burgers; de gezamenlijke werken van een schrijver, zijn complete werken.

Lees verder
1952
2022-07-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gezamenlijk

adv., yn ’e mande, meiïnoar.

1937
2022-07-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gezamenlijk

bn., bw. (verenigd; bijeengevoegd; allen of alles samen); met gezamenlijke krachten; de gezamenlijke scheepsmacht, de gezamenlijke werken van Oats, volledige; iets gezamenlijk delen, samen.

1898
2022-07-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gezamenlijk

GEZAMENLIJK, bw. bn. samen, met elkander zij gingen gezamenlijk op weg; —bn. de gezamenlijke burgers, alle burgers; — de gezamenlijke werken van een schrijver, zijne complete werken; — met gezamenlijke krachten, met vereende krachten; — een gezamenlijke oorlog, die gemeenschappelijk gevoerd wordt.

Lees verder