Wat is de betekenis van Gewas?

2025-12-17
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

gewas

gewas - Zelfstandignaamwoord 1. (landbouw) (plantkunde) dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is Na voldoende regen en zonneschijn stonden de gewassen er goed bij. Woordherkomst Naamwoord van handeling van wassen met het voorvoegsel ge-

2025-12-17
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

gewas

gewas - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-was 1. alles wat er aan planten groeit ♢ de boer keek naar het gewas op zijn land Zelfstandig naamwoord: ge-was het gewas de gewassen

2025-12-17
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

gewas

plant, kruid; groeisel.

2025-12-17
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Gewas

(1) Plantengroei i.h.a. (b.v. struik-g.). (2) In engere zin, het plantendek van de cultuurgrond (b.v. hooi-g., vcld-g.) of wel de voor de mens nuttige plantengroei (onkruidbestrijding moet het onkruid treffen en het g. sparen). (3) Algemene aanduiding voor plantensoort of plantentype, wanneer men niet zozeer de afzonderlijke planten, doch de groep...

2025-12-17
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Gewas

s.n., gewaeks (it); op steel staand rijp —, stannen, pl.; hetstaat nog op steel, it gewaeks stiet jit op stannen.

2025-12-17
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

gewas

o. gewassen (1 al wat er groeit, wat tot het plantenrijk behoort; 2 een bepaalde soort van plant; 3 oogst): 1. het eerste gewas, het groen gewas; het gewas te velde, nl. op de akker; 2. een uitheems gewas; 3. een slecht gewas, veldoogst; eigen gewas, teelt.

2025-12-17
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

gewas

(gә'was) I o. (-sen; -je) [wassen] I. Eig. wasdom, groei, gestalte: klein van -. II. Metn. 1. Algm. al wat uit de bodem groeit: het eerste, groen, jong -. Syn. kruid, plant. 2. Inz. a. plant van een bepaalde soort: een uitheems -. b. gewas dat gezamenlijk wordt geoogst, oogst: een slecht -; vroeg zomer, kwaad -; dat is eigen -; wijn v...

2025-12-17
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

gewas

o. (-sen), 1. (van mensen, dieren en planten) wasdom, groei, gestalte: de aardappelen bleven klein van —; 2. al wat er groeit aan planten: jong —; er waren geen bomen, alleen wat bremstruiken en ander laag 3. plant als behorende tot een bep. soort: uitheemse gewassen; wat een vreemd heb je daar in dat potje; ook fig. voor maatschappeli...

2025-12-17
Middelnederlandsch handwoordenboek

J. Verdam (1911)

Gewas

-wasse, znw. o. 1) Al wat groeit; wilt gewasse. 2) gewas, het te veld staande graan; ook mv. gewassen.

2025-12-17
Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

gewas

gewas zn. 'planten van een bepaalde soort' categorie: geleed woord Mnl. ghewas 'id.' in dat si ... gheinen win ... enmoghen vercopen sonder hore ghewas 'dat zij geen wijn mogen verkopen, behalve (van) hun eigen wijnstok' [1299; CG I, 2621]. Afleiding met het collectiefvoorvoegsel ...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-17
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Gewas

GEWAS, o. (van menschen, dieren en planten) wasdom, groei, gestalte: de aardappelen bleven klein van gewas; —, (-sen), (van planten) al wat er groeit: het te veld staande gewas; er waren geen boomen, alleen wat dennestruiken en ander laag gewas; — eene bepaalde soort van plant: een vreemd gewas; uitheemsche inheemsche gewassen; &mdas...