geschikt
geschikt - Deelwoord 1. voltooid deelwoord van schikken 1. vormt de lijdende vorm ♢ De bloemen werden prachtig geschikt. 2. vormt de voltooide tijden ♢ Hij had zich er niet naar geschikt. 3. attributief gebruikt ...
Benieuwd hoe Ensie en Prisma digitale woordenboeken jouw lessen kunnen versterken?
Wiktionary (2019)
geschikt - Deelwoord 1. voltooid deelwoord van schikken 1. vormt de lijdende vorm ♢ De bloemen werden prachtig geschikt. 2. vormt de voltooide tijden ♢ Hij had zich er niet naar geschikt. 3. attributief gebruikt ...
Muiswerk Educatief (2017)
geschikt - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ge-schikt 1. prettig om mee om te gaan ♢ dat is een geschikte vent 2. passend voor een bepaalde gelegenheid ♢ is deze jurk geschikt voor het feest?...
Fa. A.J. Osinga (1952)
adj., geskikt, gaedlik; (in de omgang), noflik; zijn lichaam is — voor het werk, de lea steane him nei it wurk.
M. J. Koenen's (1937)
bn. (1 van personen: aangenaam in de omgang, aardig; 2 van personen en zaken: bruikbaar, dienstig): 1. een geschikt man; 2. die knecht is voor alles geschikt; dat is niet voor mijn doel geschikt; dat is net geschikt om alles te doen mislukken; een geschikte tijd.
Jozef Verschueren (1930)
(gə’schikt) bn. en bw. (-er. -st en meest -) 1. passend, aanleg hebbend : voor de dienst. 2. passend voor de omgang in de maatschappij, aangenaam, aardig in de omgang: een man. 3. gepast, dienstig: het is nu de -e tijd; niet voor mijn doel. Syn. bruikbaar.
Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)
bn. en bw. (-er, -st of meest -), 1. (van personen) aangenaam in de omgang, anderen niet ergerend door onbescheidenheid of ongemanierdheid: hij is een heel man; het zijn geschikte lui; 2. voor iets passend, voor iets bekwaam of bruikbaar:hij is voor alles -; ik vind het —, ik heb er geen bezwaren tegen; bw., op een geschikte wijze: hij heeft...
Instituut voor de Nederlandse taal
geschikt bn. 'passend; aardig' categorie: geleed woord Mnl. 'gepast, welvoeglijk' in dat hi alle dinghen verghetet, die niet gescict en sijn tot gode 'dat hij alle dingen vergeet die niet gepast zijn voor God' [1437; MNW verscheiden], 'passend, bekwaam' in is hy bet ghescict ende habelre 'is hij geschikter en ha...
J.H. van Dale (1898)
GESCHIKT, bn. bw. (-er. -st of meest -), (van personen) (veroud.) niet ongeregeld, ordelijk, zedig; — (thans) aangenaam in den omgang, anderen niet ergerend door onbescheidenheid en ongemanierdheid hij is een heel geschikt man; het zijn geschikte lui; — voor iets passende voor iets bekwaam of bruikbaar hij is voor alles geschikt; hij k...
I.M. Calisch (1864)
Geschikt, bn. (-er, -st), bekwaam; gepast, dienstig (tot), bruikbaar; passend, voegend, overeenkomende (met); geregeld, geordend; zedig, ordelijk. *-, *-ELIJK, bijw. zediglijk, ordelijk. *-HEID, v. gmv. bekwaamheid; gepastheid; zedigheid, bedaardheid.
Log hier in om direct te kunnen beginnen met schrijven.
Wil je dit begrip toevoegen aan je favorieten? Word dan snel vriend van Ensie en geniet van alle voordelen: