Wat is de betekenis van gering?

2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gering

gering - Bijvoeglijk naamwoord 1. klein in afmeting of getal Bij de geringste gebeurtenis is hij al afgeleid.

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gering

gering - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ge-ring 1. klein in hoeveelheid, hoogte of aantal ♢ de kosten waren gering 1. dat is niet gering! [heel belangrijk, erg veel] ...

Lees verder
1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gering

bn. (-er, -st), 1. onaanzienlijk van rang of stand: geringe burgers, geringe lieden; 2. onbeduidend, niet gewichtig: dat is van geringe betekenis; een geringe dunk van iets hebben, er weinig waarde aan toekennen; 3. klein (in maat of hoeveelheid): een — verschil; van geringe afmetingen; een aantal; dat is slechts in geringe mate op hem toep...

Lees verder
1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gering

adj., lyts, bihindich, neazich, nearzich, pjutterich, (ge)ring; -er zijn dan weifalle by; iets -s in zijn soort, biwiis (it), biwyske (it).

1951
2022-11-27
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Gering

gering, schraal, laag; onaanzienlijk; die geringen Leute, de kleine luiden; nicht im geringsten, in het minste niet; um ein Geringes zu kurz, een kleinigheid te kort; etwas um ein Geringes verkaufen, iets voor een spotgeld verkopen.

1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gering

bn. (1 v. personen: onaanzienlijk [wat stand of rang aangaat]; 2 v. zaken: onbeduidend, niet gewichtig; 3 in een niet grote hoeveelheid): 1. geringe lieden, kleine burgers; 2. met geen gering doel; een niet geringe zaak; een geringe dunk; van niet geringe betekenis; iem. van geringe afkomst, nederige geboorte; 3. een geringe som, klein; de schade...

Lees verder
1933
2022-11-27
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gering

Gering - Ulrich, Zwitsersch drukker, in 1470 door de Sorbonne uitgenoodigd zich te Parijs te vestigen. Hij drukte daar het eerste boek, een Lat. uitg. der brieven van Casparinus Barzizius. ➝ Fichet.

1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

gering

(gə'ring) bn. en bw. (-er, -st) 1. onaanzienlijk van rang, stand : -e burgers, lieden. 2. onbeduidend : een niet -e zaak; van betekenis ; een gemoed, verstand; een -e dunk, een gevoelen van iemand, iets hebben, koesteren; van -e afkomst; de schade was -. 3. van een niet grote hoeveelheid : een -e som; in -e mate; een waarlijk niet -e taak; v...

Lees verder
1926
2022-11-27
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gering

De geringen zijn de maatschappelijk minstbedeelden, de armen en behoeftigen (Ex. 23 : 3; 1 Sam. 2 : 8; Ps. 113 : 7; Spr. 28 : 3); zij worden genoemd in tegenstelling met de grooten (Lev. 19 : 15) en met de rijken (Spr. 10 : 15). In het Nieuwe Testament komt’t woord alleen voor 2 Cor. 10 : 1, als vertaling van een woord, elders overgezet door...

Lees verder
1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gering

GERING, bn. (-er, -st), onaanzienlijk van rang of stand geringe burgers, geringe lieden; — onbeduidend, niet gewichtig: een gering verschil; dat is van geringe beteekenis; een geringen dunk van iets hebben, er weinig verwachting van hebben; klein: ik ben u geen geringen dank verschuldigd; een gering aantal; hij bleef op een geringen afstand s...

Lees verder
1864
2022-11-27
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Gering

Gering, bn. en bijw. (-er, -st), klein; nietig; onbelangrijk, van weinig waarde; slecht, laag, gemeen; arm; onaanzienlijk; min; - achten, weinig achting hebben (voor iets of iem.); de - stand, klasse, de lage burgerstand; in het -ste niet, volstrekt niet; eene - (ligte) ongesteldheid. *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. gmv.

Lees verder