Wat is de betekenis van gepeupel?

2019
2021-09-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gepeupel

gepeupel - Zelfstandignaamwoord 1. het gewone volk, de laagste klasse 2. het gespuis het onkundige, ruwe, woeste volk Zij had in de straten van Parijs het op bloed beluste gepeupel gezien, dat was opgehitst door fanatici als Marat, Danton en Robespierre. Zij had meegemaakt hoe familieleden en vriende...

Lees verder
2007
2021-09-19
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

gepeupel

ruw, onbeschaafd volk; de lagere klassen. Sedert ca. 1562. Afgeleid van het Franse woord peuple, dat dan weer is terug te voeren tot het Latijnse populus. In het Middelnederlands had dit woord nog niet het voorvoegsel ge-. Popel betekende toen ‘het volk’, meer bepaald ‘het mindere volk’.Joods gebroed of rood gepeupel! (Roob...

Lees verder
1973
2021-09-19
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gepeupel

o., gemeen volk, de onbeschaafde grote hoop, m.n. als rebels gedacht, het grauw: het wierp met stenen.

1952
2021-09-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gepeupel

s.n., rakmak (it), rasmas (it) rapalje (it), (rap en) rút (it), skoarremoarje (it).

1898
2021-09-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepeupel

GEPEUPEL, o. het gemeene volk, de groote hoop. het grauw , het gepeupel wierp met steenen; een oploop van het gepeupel; — het gemeene volk, gespuis, janhagel.

Lees verder