Wat is de betekenis van Gelukzalig?

1973
2020-11-27
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

gelukzalig

bn. (-er, -st), het hoogste geluk deelachtig, uiterst gelukkig; m.n. in toepassing op het godsdienstig en zedelijk leven en het hiernamaals: gelukzalige geesten; een lot, een lot dat iemand in de hoogste mate gelukkig maakt; een gelukzalige glimlach, een glimlach van innig geluk.

1933
2020-11-27
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gelukzalig

Gelukzalig - Gelukzalig zijn zij, die God zien. → Aanschouwing Gods; Eeuwig leven. In meer beperkten zin worden (geluk)zalig genoemd zij, die volgens de plechtige verklaring van den paus de aanschouwing Gods genieten en eenige openbare vereering ontvangen met goedkeuring van het hoogste kerkelijk gezag. → Heiligverklaring.

1898
2020-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gelukzalig

GELUKZALIG, bn. bw. (-er, -st), het hoogste geluk deelachtig, uiterst gelukkig; inz. in toepassing op het godsdienstig en zedelijk leven iem. gelukzalig achten, noemen; een gelukzalig lot, een lot dat iem. in de hoogste mate gelukkig maakt; — (gew.) iem. een gelukzalig nieuwjaar wenschen, een hoogst gelukkig jaar; — (Zuidn.) een gelukz...

Lees verder
1898
2020-11-27
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Gelukzalig

zie Gelukkig.