Wat is de betekenis van gelijktijdig?

2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gelijktijdig

gelijktijdig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ge-lijk-tij-dig 1. op hetzelfde moment ♢ we kwamen gelijktijdig bij de kermis aan Bijvoeglijk naamwoord: ge-lijk-tij-dig de/het gelijktijdige ... Synoniemen...

Lees verder
1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gelijktijdig

bn. en bw., 1. afkomstig uit of vallend binnen hetzelfde tijdvak: gelijktijdige schrijvers, gebeurtenissen, in dezelfde tijd levend, gebeurend; (geologie) gelijktijdige vormingen, in hetzelfde tijdperk ontstaan; 2. op hetzelfde tijdstip gebeurend of plaatshebbend: gelijktijdige oorlogsverklaringen; op dezelfde tijd ingaand: benoemd tot burgem...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gelijktijdig

adv., tagelyk.

1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gelijktijdig

bn., bw. (1 tot hetzelfde tijdvak behorende, er in levende, er in gebeurende; 2 op hetzelfde tijdstip geschiedende of plaats hebbende): 1. de gelijktijdige schrijvers; twee gelijktijdige gebeurtenissen; die beroemde mannen leefden gelijktijdig; 2. een gelijktijdige waarschuwing, vraag; die treinen kwamen gelijktijdige aan.

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

gelijktijdig

(gəlijk’tijdəch) bn. en bw. 1. in hetzelfde tijdvak bestaand, levend : -e schrijvers spreken niet van die gebeurtenis. 2. op dezelfde tijd (gebeurend) : -e gebeurtenissen; die treinen komen aan.

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gelijktijdig

GELIJKTIJDIG, bn. bw. uit denzelfden tijd gelijktijdige schrijvers, gebeurtenissen, in denzelfden tijd levende, geschiedende; — (aardk.) gelijktijdige vormingen, in hetzelfde tijdperk ontstaan — op hetzelfde tijdstip geschiedende: eene gelijktijdige oorlogsverklaring; — bw. (van tijd) in hetzelfde tijdvak; te gelijkertijd. GELIJ...

Lees verder