Wat is de betekenis van gelijk?

2018
2022-12-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gelijk

gelijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ge-lijk 1. precies zoals iets of iemand anders ♢ die twee getallen zijn gelijk 1. iemand met gelijke munt betalen [hem op dezelfde manier behandelen]...

Lees verder
2015
2022-12-04
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

gelijk

zoals Toen deed hij gelijk ze hem gezegd had. Een uur later kwam Hortense weer uit de vijver met de diamanten ring. (Marita de Sterck, Vuil Vel) Gelijk' is hier een voegwoord. In Nederland is dit gebruik sterk verouderd. Geen Algmeen Nederlands Gangbaarheid: 7 Vlaamsheid: 1

Lees verder
2004
2022-12-04
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

gelijk

(bw. en vw.) - gelijk wie, onverschillig wie, wie ook. Hollywoodfilms over creatieve genieën moeten dus wel banaal zijn. Er is niets in Frida dat ons laat voelen dat Frida meer een rebel dan u of gelijk wie was. - Knack, 22-01-2003. - gelijk welke persoon, welke persoon ook. - gelijk wanneer, wanneer ook. Je moet weten d...

Lees verder
1973
2022-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gelijk

bn. en bw. (-er, -st, of meer -, meest -), zn. en voegw., I. bn., 1. geheel met elkaar overeenkomend wat betreft zekere hoedanigheden: met gelijke wapenen strijden; gelijke tred, gang, koers met iemand of iets houden, even snel voortgaan, iemand of iets in zijn beweging bijhouden (ook fig.); (spr.) gelijke monniken, gelijke kappen, mensen van &eac...

Lees verder
1952
2022-12-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gelijk

s.n., gelyk (it); — geven, meistimme; — hebben, it by de, it rjochte ein hawwe; daar heb jijin, dat is dyn slach.

1937
2022-12-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gelijk

I. bn. (in het algemeen: geheel met elkaar overeenstemmende in zekere hoedanigheden of (Overeenstemmende in de onderdelen; in bijz. toepassing: 1 overeenkomende in rang, stand, macht, rechten, plichten; 2 overeenkomende in waarde of belang; 3 de juiste tijd aanwijzende; overeenkomende met de standaardtijd; 4 effen, vlak): met gelijke wapenen; van g...

Lees verder
1930
2022-12-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

gelijk

(gə'lijk) I. bn. en bw. (-er. -st) [Veroud. lijk, voorkomen ; hetzelfde voorkomen hebbend] 1. geheel met elkaar overeenkomend : -e gang, haast, koers, tred; een bepaalde trek met iemand hebben; met -e wapenen; in -e mate. → aard, gang, grond, monnik. 2. overeenkomend in rang, stand, rechten of plichten: alle burgers zijn voor de wet -....

Lees verder
1911
2022-12-04
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Gelijk

letterlijk: hetzelfde lijk (= lichaam, uiterlijk, gedaante) hebbende.

1898
2022-12-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gelijk

Het begrip gelijk heeft 4 verschillende betekenissen: 1. gelijk - GELIJK, bn. bw. (-er, -st, of meer-, meest-), geheel met elkander overeenkomende wat betreft zekere hoedanigheden met gelijke wapenen strijden; beide legers waren gelijk in macht en in moed; zij was een duifje gelijk, zoo onschuldig; — gelijken tred, gang, koers met iem. of ie...

Lees verder
1864
2022-12-04
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Gelijk

Gelijk, bn. eenerlei, zonder verschil, zonder onderscheid: het- zelfde;@#regt, effen; even; (in de reken- en stelkunde aangeduid door het teeken =;) (hand.) pari; een - huwelijk, man en vrouw die bij elk. passen; -e monniken -e kappen, zoo heer zoo knecht; ik sta met hem op -en voet, er is geen verschil tusschen hem en mij in de behandeling. *-, b...

Lees verder
1856
2022-12-04
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Gelijk

bw. 1. In kommandoos gebruikelijk om te gelasten dat een beweging gelijktijdig geschiede. Gelijk halen! Gelijk roeien! Haalt gelijk. Roeit gelijk! 2. Voor Gelijklastig. Dat schip ligt gelijk, ligt op een effen kuil (als de diepgang voor en achter dezelfde is).

Lees verder