Wat is de betekenis van Gehoorzaamheid?

2019
2021-01-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gehoorzaamheid

gehoorzaamheid - Zelfstandignaamwoord 1. de bevelen van het bevoegd gezag opvolgen De brave jongen kreeg een beloning voor zijn gehoorzaamheid op school. 2. handelen in overeenstemming met het goddelijk gezag Hem gehoorzaam zijn was het hoogste gebod van...

Lees verder
2018
2021-01-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gehoorzaamheid

gehoorzaamheid - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-hoor-zaam-heid 1. gewillig doen wat iemand zegt ♢ deze gelovigen hebben gehoorzaamheid aan God beloofd 1. het klokje van gehoorzaamheid [het uur...

Lees verder
1992
2021-01-17
Psychologie en Sociologie

Psychologie en Sociologie

Gehoorzaamheid

Opvolgen van opdrachten of bevelen.

1973
2021-01-17
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

gehoorzaamheid

v., 1. het gewillig opvolgen van iemands gebod, bevel of last, het volbrengen van zijn wil in een bijzonder geval of als blijvende gezindheid: — aan God; kinderlijke —; — aan de wet (in eedsformulieren voorkomend); de — laat bij deze onderwijzer veel te wensen over, zijn leerlingen zijn tamelijk ongezeglijk; — betonen...

Lees verder
1955
2021-01-17
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

GEHOORZAAMHEID

en geloof hangen zeer nauw samen: „Het geloof ontstaat uit het horen”, zegt Paulus (Rom. 10 : 17), maar ook gehoorzaamheid heeft — gelijk zowel het Griekse als het Nederlandse woord laat zien met „horen” te maken en is, christelijk beschouwd, een volgzaam horen in geloof. De geloofshouding van de Christen is een gehoor...

Lees verder
1933
2021-01-17
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gehoorzaamheid

Gehoorzaamheid - zedelijke deugd, bij de kardinale deugd van rechtvaardigheid gerangschikt; zij beweegt den onderdaan het gebodene uit te voeren, juist omdat het geboden is door een wettigen gezaghebber (S. Thomas, II.II, q. 104, 105). Er is een bijzondere loffelijkheid in de onderwerping aan een rechtmatig bevel; daarom is de g., om die reden beoe...

Lees verder
1916
2021-01-17
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gehoorzaamheid

Gehoorzaamheid - gehoor d.i. gevolg geven aan hetgeen men hoort, de houding van den ondergeschikte, hetzij gedwongen of vrijwillig. De normale gang van het menschelijke leven volgt dezen weg. Het kind, de onmondige, moet goedschiks of kwaadschiks, gehoorzamen aan onbegrepen overmacht; de volwassene, mondige, doet het welbewust en vrijwillig, in zoo...

Lees verder
1898
2021-01-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gehoorzaamheid

GEHOORZAAMHEID, v. het gewillig opvolgen van iemands gebod, bevel of last, het volbrengen van zijn wil in een bijzonder geval of als blijvende gezindheid: gehoorzaamheid aan God; de gehoorzaamheid laat bij dezen onderwijzer veel te wenschen over, zijne leerlingen zijn tamelijk ongezeglijk; gehoorzaamheid betoonen (toonen) (aan iem.), ze aan den dag...

Lees verder
1870
2021-01-17
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gehoorzaamheid

Gehoorzaamheid noemt men de onderwerping van onzen wil aan dien van iemand of iets anders. De gehoorzaamheid kan vrij willig of gedwongen wezen, — voorts in overeenstemming met onze overtuiging of onvoorwaardelijk. In dit laatste geval spreekt men ook van blinde gehoorzaamheid, en deze is den met rede begaafden mensch onwaardig. Zelfs de zedewet, w...

Lees verder