Wat is de betekenis van geheel?

2019
2022-08-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

geheel

geheel - Zelfstandignaamwoord 1. alle delen zonder uitzondering Het geheel is vaak meer dan de som van de delen. geheel - Bijvoeglijk naamwoord 1. op alle delen zonder uitzondering betrekking hebbend Wikimedia is nu in de gehele wereld beke...

Lees verder
2018
2022-08-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

geheel

geheel - bijwoord uitspraak: ge-heel 1. alle delen bij elkaar ♢ deze verzameling vormt een geheel 1. over het geheel genomen ... [in het algemeen ...] 2. geheel...

Lees verder
1973
2022-08-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

geheel

I. bn., 1. gaaf, ongeschonden: dit kopje is nog — (in de gewone spreekt, heel); 2. waaraan niets ontbreekt, gans, heel, volledig in de som van zijn delen: — Amsterdam was op de been, alle inwoners van die stad, alle Amsterdammers; een getal, een natuurlijk, positief of negatief getal dat een zeker aantal malen een eenheid bevat zonder d...

Lees verder
1952
2022-08-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Geheel

s.n., gehiel (it); over het —, oer de heap, yn allen, op en del, op en hinne, op en út, trochstrings, trochstreeks, troch de bank, trochinoar; over het genomen, oer it hielal nommen; in het niet, net heal; in hetgeen, promt gjin.

1937
2022-08-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

geheel

I. bn. (1 gaaf, ongeschonden, in deze bet. meestal heel; 2 gans, heel, waaraan niets ontbreekt, tegenstelling van gedeeltelijk in verschillende opvattingen): 1. geheel zijn; 2. geheel Amsterdam, alle Amsterdammers; een gehele week, volle; gehele brokken werden losgescheurd, grote; de gehele vergadering schrok; uit geheel uw hart; de gehele schuld...

Lees verder
1926
2022-08-18
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Geheel

D. i. ongedeeld, moet alles zijn wat den Heere gewijd wordt, voor alle dingen het hart des menschen (Deut. 4 : 29; 6:5; 10:12; 26 : 16; 30 : 6, 10; Ps. 9 : 2; 89 : 12; 119 : 2, 10, 34, 58, 69, 145, 138; Spreuk. 3 : 5; Jer. 24: 7; 29 : 13 v.; Joel 2 : 12; Hand. 8 : 37). Zinnebeeldig wordt dat, wat geheel en ongedeeld den Heere waardig en overeenkoms...

Lees verder
1898
2022-08-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Geheel

Het begrip geheel heeft 2 verschillende betekenissen: 1. geheel - GEHEEL, bn. bw. gaaf, ongeschonden, in het bezit van al zijne deelen; in de gewone spreektaal doorgaans heel; — geheel Amsterdam was op de been. al de bewoners dier stad, alle Amsterdammers; de veldslag van Leipzig maakte in weinige dagen geheel Duitschland vrij; de geheele st...

Lees verder
1898
2022-08-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Geheel

zie Gaaf.