Wat is de betekenis van gedicht?

2018
2022-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gedicht

gedicht - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-dicht 1. tekst waarvan elk woord belangrijk is, vaak met rijm ♢ in dit gedicht rijmt regel 2 op regel 4 Zelfstandig naamwoord: ge-dicht het gedicht ...

Lees verder
1990
2022-09-28
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

gedicht

gedicht - Schriftelijke of mondelinge composities die worden gekenmerkt door gecomprimeerde formuleringen, door woorden die zowel omwille van hun klank en suggestieve kracht als hun betekenis zijn gekozen, en door het gebruik van literaire technieken zoals gestructureerd metrum, natuurlijke cadansen, rijm of beeldspraak.

1973
2022-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gedicht

o. (-en), 1. in het algemeen iedere verschijningsvorm van poëzie, dus ook een epos of drama in verzen; in het bijzonder iedere uiting van lyriek; 2. (fig.) iets dat schoon of heerlijk is als een dichtstuk.

Lees verder
1952
2022-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gedicht

s.n., fers (it), (ge)dicht (it), dichtstik (it).

1951
2022-09-28
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Gedicht

gedicht.

1949
2022-09-28
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Gedicht

in ruime zin al hetgeen in gebonden stijl, al of niet met rijm, geschreven is, ook de grootste, b.v. ook dramatische werken (dramatisch G.). In engere zin: metrisch geleed werk van woordkunst, meest van beperkte omvang.

1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gedicht

o. -en (hetgeen gedicht is; een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk; vers, dichtstuk): de gedichten van Vondel; een gedicht maken, voordragen; een gedicht aan iem. opdragen.

1933
2022-09-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gedicht

Gedicht - in de poëzie een naar vorm en inhoud afgesloten geheel, rijk aan rhythme, meestal met een systeem van maat en rijm, al of niet uit strophen opgebouwd, gering of aanmerkelijk van omvang. Onder dezen naam vat men alle producten en versvormen van lyriek, epiek, didactiek en dramatiek samen; zelden echter noemt men een drama een gedicht....

Lees verder
1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

gedicht

o. (-en; -je) 1. Eig. Min. het aanhoudend dichten: dat van die prulpoëet. 2. Metn. in dichtmaat of dichterlijke stijl opgesteld stuk: een maken, vervaardigen, voordragen, aan iemand opgedragen; een -je opzeggen; een van lange ➝ adem.

Lees verder
1898
2022-09-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gedicht

GEDICHT, o. —, (-en), een in dicht- of versmaat, of wel, in dichterlijken stijl opgesteld stuk, dichtstuk, vers: de gedichten van Vondel; een gedicht maken, vervaardigen, voordragen, aan iem. opdragen; — (spott.) het telkens of aanhoudend dichten die prulpoëet kon zijn tijd wel beter besteden dan met dat gerijmel en gedicht.

Lees verder
1870
2022-09-28
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gedicht

Zie Dichtkunst.

1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Gedicht

GEDICHT, o. (-en), dichtstuk, opstel in gebonden stijl. *-JE, (B. -N), o. (-s). *-SEL, o. (-en, -s), verdichtsel, onwaar verhaal, verzonnen geschiedenis.

Lees verder