Wat is de betekenis van gauwigheid?

2020
2020-10-31
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gauwigheid

gauwigheid - Zelfstandignaamwoord 1. in de gauwigheid: door (te) snel te handelen Op de laatste zaterdagmiddag van oktober zit het goed vol bij CEO Baas van de Lunch, zowel binnen als buiten op de stoep van de Karel Doormanstraat. In de gauwigheid zie ik één vrije tafel voor twee, zo’n verhoog...

Lees verder
1916
2020-10-31
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

gauwigheid

v., 1. gauwheid; in de -, inderhaast, door vlug te werk te gaan, in het bijzonder met betrekking tot zaken die men door overhaasting verkeerd doet of verzuimt; 2. vlugheid, behendig heid: het is maar een —; 3. (-heden), handeling die van behendigheid getuigt, behendige greep, slimme streek: door een — wist hij toch nog te ontsnappen.

Lees verder
1898
2020-10-31
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gauwigheid

GAUWIGHEID, v. gauwheid; — in de gauwigheid, inderhaast, door vlug te werk te gaan; — in de gauwigheid deed hij het verkeerd, door de te groote haast; — vlugheid, behendigheid ’t is maar eene gauwigheid; —, (...heden), eene handeling, die van behendigheid getuigt; een behendige greep, een slimme streek zij was doorleer...

Lees verder

Gerelateerde zoekopdrachten