Wat is de betekenis van Gauw?

2019
2020-11-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gauw

Gauw - Eigennaam 1. (toponiem) Plaats in de gemeente Wymbritseradiel in de Nederlands provincie Friesland met ongeveer 366 inwoners

Lees verder
2018
2020-11-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gauw

gauw - bijwoord 1. binnen korte tijd ♢ het zal nu wel gauw gebeuren 2. met grote vaart ♢ ga nou gauw! Algemene uitdrukkingen: 1. hij weegt toch al gauw 10 kilo ...

Lees verder
1976
2020-11-24
Gerben Abma

Encyclopedie van het hedendaagse Friesland (1976)

GAUW

(Fr. Gau) Dorp in Wymbritseradeel, waarvan het inwonertal tussen 1954 en 1974 met plm. 20 % daalde. Herv. kerk met toren (15e eeuw); in de gevel oorlogsmonument naar ontwerp van A. Goodijk.Bevolking: (1954) 310; (1959) 289; (1964) 281; (1969) 241; (1973) 247.

Lees verder
1973
2020-11-24
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

gauw

bn. en bw. (-er, -st), I. bn., 1. zich snel kunnende bewegen, vlug: iemand te — zijn; (oneig.) slimmer, behendiger zijn; hem de loef afsteken; (ook) hem listig verschalken; — als water, zeer vlug; met betrekking tot verrichtingen: vlug, gezwind, rap: — en goed, dat is het parool!; 2. vlug van geest, vaardig: hij is — met d...

Lees verder
1958
2020-11-24
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

GAUW

(Fr.: Gau, waternaam die plaatsnaam werd. zie Geeuw). Vroeger ook Clegauwe, misschien naar voorde voor vee. Streekdorp in Wymbritseradeel, N.O. van Sneek in de Lege Geaën (Lage Landen, hier tot —0,8 m) (294 inw.). Herv. kerk met I5de-eeuwse zadeldaktoren; geref. kerk, twee chr. lag. scholen. Veeteelt.Zie: Hepkema, Memories, 233; Leeuw....

Lees verder
1933
2020-11-24
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gauw

Gauw - ➝Wijmbritseradeel.

1898
2020-11-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gauw

GAUW, bn. bw. (-er, -st), (van menschen of dieren) het vermogen bezittende om zich met snelheid te bewegen, vlug; — iem. te gauw zijn, vlugger zijn dan hij; (ook) slimmer, behendiger zijn; (ook) iem. de loef afsteken; — gauw als water, zeer vlug; — vlug, gezwind, rap onderdanig, gauw en goed, dat is ’t parool; — vlug,...

Lees verder
1898
2020-11-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Gauw

zie Aanstonds.